ECLI:NL:HR:2010:BK7046
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering van ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde onder meer een overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 EVRM Pro aan de orde.
Het hof oordeelde dat het tijdsverloop, ondanks de duur van ruim twee jaar tussen hoger beroep en arrest, geen aanleiding gaf tot matiging van het ontnemingsbedrag. De raadsman had slechts een niet nader toegelichte opmerking gemaakt over de redelijke termijn, waarop het hof geen ander oordeel formuleerde.
De Hoge Raad stelt vast dat in ontnemingszaken specifieke omstandigheden kunnen maken dat een termijn van meer dan twee jaar niet per definitie onredelijk is. Echter, in cassatiefase is de redelijke termijn overschreden doordat stukken te laat werden ingediend en het arrest pas na meer dan twee jaar werd gewezen.
Dit leidt tot vermindering van het ontnemingsbedrag van €180.136,- naar €175.136,-. De overige middelen van cassatie worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het bedrag en bevestigt het verder.
Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd naar €175.136,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.