Uitspraak
17 november 2009.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch betreffende het hoger beroep tegen een beschikking tot opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis. De verdachte was ten tijde van de betekening gedetineerd in een penitentiaire inrichting. Namens de verdachte heeft een advocaat een middel van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen dat op grond van artikel 445 van Pro het Wetboek van Strafvordering alleen in de wettelijk bepaalde gevallen beroep in cassatie openstaat tegen beschikkingen. Aangezien geen bepaling bestaat die cassatie openstelt tegen een beschikking waarbij wordt beslist op hoger beroep tegen een beschikking tot opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis, kan de verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking is uitgesproken door de raadsheren Balkema, Ilsink en Thomassen in aanwezigheid van de griffier Verhoeven tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep tegen de beschikking op hoger beroep voorlopige hechtenis.