ECLI:NL:HR:2009:BJ8567
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad heeft het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, naar vijftien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden en dat het tweede middel gegrond was omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, waardoor de redelijke termijn werd overschreden. Dit was reden voor strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwierp het beroep voor het overige. De strafvermindering werd gemotiveerd door de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth op 17 november 2009.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijftien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.