ECLI:NL:HR:2009:BJ2571
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens verstreken geldigheidsduur ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
In deze zaak ging het om de verlenging van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De rechtbank 's-Gravenhage had op verzoek van het Bureau Jeugdzorg deze maatregelen verlengd tot 25 mei 2009. Tegen deze beschikking stelden de ouders hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de verlenging bekrachtigde en het meer of anders verzochte afwees.
De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof. Het Bureau Jeugdzorg diende geen verweerschrift in. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels was verstreken.
De Hoge Raad oordeelde dat de moeder geen belang meer had bij haar cassatieberoep nu de termijn van de verlenging was verlopen. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing werd genomen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Schendel en Streefkerk en in het openbaar uitgesproken door Van Schendel op 9 oktober 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de moeder niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang omdat de geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing was verstreken.