ECLI:NL:HR:2009:BJ2011
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling valutaregeling en vrijheid van vestiging bij vennootschapsbelasting
De Inspecteur stelde het verlies van belanghebbende voor het jaar 2001 vast bij beschikking, welke na bezwaar gehandhaafd werd. Belanghebbende ging in beroep bij de Rechtbank, die de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en het verlies op een hoger bedrag vaststelde. De Staatssecretaris stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak, terwijl belanghebbende incidenteel beroep in cassatie instelde.
De Rechtbank oordeelde dat de valutaregeling uit artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een nieuwe beperking vormt van de vrijheid van vestiging zoals bedoeld in het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin deze regeling geen rechtvaardigingsgrond kent die het verboden karakter opheft.
In het incidentele beroep stelde belanghebbende dat de beperking niet valt onder het toepassingsgebied van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst met Marokko, omdat het niet ziet op verrichtingen die tot uitdrukking komen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans. De Hoge Raad volgt dit standpunt en verklaart het incidentele beroep ongegrond.
De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond, veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van € 644 en wijst de Staat aan als de partij die deze kosten moet vergoeden. Tevens wordt een griffierecht van € 447 geheven.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt de Staat in de proceskosten.