ECLI:NL:HR:2009:BI4059
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot horen getuige en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding
In deze strafzaak stond het beroep van verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdediging verzocht het hof om meerdere getuigen te horen, waaronder een medeverdachte die reeds door de rechter-commissaris was gehoord. Het hof wees het verzoek tot het horen van deze getuige toe, maar kwam hier later op terug toen bleek dat de getuige al was gehoord en de raadsman schriftelijk vragen had kunnen stellen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had gehanteerd op grond van artikel 418, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat het horen van een getuige kan worden geweigerd indien deze reeds door de rechter-commissaris is gehoord en het hof het horen niet noodzakelijk acht. De eerdere beslissing van het hof om de getuige te horen werd gezien als een abuis door onvolledige dossierinformatie.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden doordat de cassatiefase meer dan twee jaar duurde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de rechtmatigheid van het proces en de motivering van het hof, en benadrukte het belang van een zorgvuldige afweging bij het horen van getuigen in hoger beroep.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd naar 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en het verzoek tot het horen van de getuige wordt terecht afgewezen.