ECLI:NL:HR:2009:BH0598

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01395
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op psychische overmacht bij schietincident

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het schieten op een persoon waarbij het slachtoffer in de arm werd geraakt. Verdachte voerde in hoger beroep en cassatie aan dat sprake was van psychische overmacht, omdat hij onder een drang stond waaraan hij geen weerstand kon bieden.

Het hof had geoordeeld dat verdachte zelf het slachtoffer had uitgenodigd en dat de vlak voor het incident geuite bedreiging niet onverwacht was. Ook het verdere verloop van het gesprek was niet uitzonderlijk. Op basis van deze feiten concludeerde het hof dat er geen sprake was van psychische overmacht.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hof een juiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en de beslissing toereikend heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

De zaak illustreert de strenge toetsing van het psychische overmachtverweer en benadrukt het belang van een gedegen waardering van de feitelijke omstandigheden door het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd; geen sprake van psychische overmacht.

Uitspraak

24 maart 2009
Strafkamer
Nr. 08/01395
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 maart 2008, nummer 20/003472-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-Oost, Huis van Bewaring Roermond" te Roermond.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel van de verdachte
2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het beroep op psychische overmacht ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 5 maart 2007 in Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer 1] door die kogel in een arm werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
2.3. Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Door de raadsman is een beroep gedaan op psychische overmacht. Tegen de achtergrond van de gedurende meerdere jaren opgebouwde spanning tussen [slachtoffer 1] en verdachte - en de telefoonberichten die verdachte kort voor het schietincident ontving van de zus van die [slachtoffer 1] en die verdachte terecht kon duiden als een actuele concretisering van die dreiging - kan het gebeuren hem niet worden verweten.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat ten tijde van het schietincident geen sprake is geweest van psychische overmacht, zoals door de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is betoogd. Met de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat is komen vast te staan dat - wat er ook zij van de eerder opgebouwde spanning - verdachte zelf aan [betrokkene 1] heeft gevraagd om langs te komen en daarbij heeft verzocht [slachtoffer 1] mee te nemen. Nu verdachte reeds vaker bedreigd was door [slachtoffer 1], vormde de bedreiging die, volgens verdachte de aanleiding vormde tot het uit zijn jas halen van het pistool en alles wat daarop gevolgd is, naar het oordeel van het hof niet een zodanige onverwachte gebeurtenis voor verdachte dat daardoor een drang is ontstaan waaraan verdachte geen weerstand kon of behoefde te bieden, terwijl ook het verloop van het gesprek - het handelde om een door verdachte te betalen "schadevergoeding" - geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. Het verweer wordt derhalve verworpen."
2.4. Blijkens zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof niet aannemelijk geacht dat ten tijde van het schietincident bij de verdachte een drang bestond waaraan hij geen weerstand kon of behoefde te bieden. Dat oordeel heeft het Hof gegrond op een waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij heeft het Hof betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte zelf aan het slachtoffer heeft verzocht om langs te komen - waaruit het Hof kennelijk mede de betrekkelijkheid van de gestelde ernst van de eerdere bedreigingen heeft afgeleid -, dat de vlak voor het schietincident geuite bedreiging als zodanig niet onverwacht was of van eerdere bedreigingen afweek en dat ook het verdere verloop van het gesprek in dit opzicht geen uitzonderlijk karakter had. Het hierop gegronde oordeel dat ten tijde van het schietincident bij de verdachte geen sprake was van een drang waaraan hij geen weerstand kon of behoefde te bieden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van het eerste middel van de verdachte en het middel van de benadeelde partij
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 24 maart 2009.