ECLI:NL:HR:2009:BC4295
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardestijging bouwkop en bestemmingswijziging in Wet IB 1964
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag verder. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, dat opnieuw de aanslag verder verminderde. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatie in, evenals belanghebbende incidenteel.
De kern van het geschil betrof de waardestijging van de bouwkop van een perceel landbouwgrond, die volgens het Hof niet verband hield met een bestemmingswijziging in de zin van artikel 8 lid 1 aanhef Pro en letter b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Hoge Raad oordeelde dat de feitelijke onttrekking van de bouwkop aan landbouwgebruik door woningbouw wel degelijk een bestemmingswijziging vormt, waardoor de waardestijging niet onder de landbouwvrijstelling valt.
De Hoge Raad verklaarde het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond en het principale beroep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling. Proceskostenveroordeling werd niet opgelegd; vergoeding wordt door het verwijzingshof beoordeeld.
Deze uitspraak verduidelijkt dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling de feitelijke aanwending van de grond doorslaggevend is, niet de potentiële bestemming. De waardestijging van de bouwkop moet in het jaar van realisatie of onttrekking aan het ondernemingsvermogen in overeenstemming met goed koopmansgebruik worden belast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem, bevestigend dat de waardestijging van de bouwkop verband houdt met een bestemmingswijziging en niet onder de landbouwvrijstelling valt.