ECLI:NL:HR:2008:BD5509

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12302
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over wijziging ouderlijk gezag en omgangsregeling tussen voormalige levenspartners

De man verzocht bij de rechtbank Rotterdam om het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen aan hem toe te wijzen en de verblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen. Subsidiair vroeg hij een omgangsregeling en informatieplicht van de vrouw over belangrijke opvoedingskwesties. De rechtbank wees het verzoek tot wijziging van het gezag af en stelde een omgangsregeling vast.

Zowel de man als de vrouw gingen in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof benoemde deskundigen om advies uit te brengen over de relatie tussen partijen en de gevolgen voor het ouderschap en de omgang. Het hof bekrachtigde het besluit over het gezag en wees het meer gevorderde af. Voor de omgang vernietigde het hof het eerdere besluit en wees het verzoek van de man af.

De man stelde beroep in cassatie in tegen de beschikkingen van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 12 september 2008.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofbesluit dat het gezag bij de vrouw laat en het verzoek van de man tot wijziging van de omgangsregeling afwijst.

Uitspraak

12 september 2008
Eerste Kamer
07/12302
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 8 januari 2004 ter griffie van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, primair dat de man met het gezag over de minderjarige kinderen van partijen zal worden belast en te bepalen dat de verblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn. Subsidiair is verzocht te bepalen dat de man wekelijks omgang met de kinderen zal hebben van vrijdagochtend tot en met zondagavond en dat de vrouw de man dient te informeren met betrekking tot belangrijke kwesties inzake de lichamelijke en geestelijke opvoeding van de kinderen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De kantonrechter heeft, na een tussenbeschikking van 12 maart 2004, waarbij onder andere de Raad voor de Kinderbescherming is verzocht een rapport te schrijven en een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld, bij eindbeschikking van 29 juli 2005 het verzoek van de man om hem in plaats van de vrouw met het gezag te belasten afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld.
Tegen de eindbeschikking van 29 juli 2005 hebben de man en de vrouw afzonderlijk hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenbeschikkingen van 21 juni 2006 heeft het hof in beide zaken een deskundige benoemd teneinde het hof op basis van een aantal vragen van informatie te voorzien over de relatie tussen partijen en de mogelijke gevolgen daarvan voor het ouderschap na het uiteengaan van partijen en de omgang met de kinderen. In de door de man aangespannen appelprocedure heeft het hof bij eindbeschikking van 11 juli 2007 de bestreden beschikking inzake het gezag bekrachtigd en heeft het het meer of anders gevorderde afgewezen. Bij beschikking van dezelfde datum in de door de vrouw geëntameerde appelprocedure heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd voor zover die de omgang betreft en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man tot vaststellen van een omgangsregeling alsnog afgewezen.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikkingen van het hof van 21 juni 2006 en 11 juli 2007 in beide zaken heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 september 2008.