ECLI:NL:HR:2008:BD2404

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/196HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatieberoep in civiele zaak over betaling en rente

In deze civiele procedure stond een vordering tot betaling van een bedrag van ƒ 49.215,82 vermeerderd met wettelijke rente centraal. Na eerdere behandeling en vernietiging van een arrest door de Hoge Raad in 2004, werd de zaak verwezen naar het hof Arnhem. Dit hof heeft bij eindarrest van 12 december 2006 eiser veroordeeld tot betaling van het genoemde bedrag aan verweerster, met rente vanaf 9 april 1997.

Eiser stelde hiertegen beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad verleende verzet tegen verweerster en wees het beroep af. De klachten van eiser werden niet inhoudelijk behandeld omdat zij niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding, maar stelde de kosten aan de zijde van verweerster nihil vast. Hiermee kwam een definitief einde aan het geding, waarbij de eerdere uitspraak van het hof ongewijzigd bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van eiser tot betaling van het bedrag met rente.

Uitspraak

11 juli 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/196HR
RM/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.L.Chr.M. Oomen,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen [eiser] en [verweerster] verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 16 januari 2004, nr. C02/208, NJ 2005, 191. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 24 april 2002 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem verwezen.
Na conclusiewisseling na verwijzing en tussenarresten van 25 oktober 2005 en 4 april 2006, heeft het hof te Arnhem bij eindarrest van 12 december 2006 [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 49.215,82, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 1997. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.
De arresten van het hof van 25 oktober 2005 en 12 december 2006 zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen laatstgenoemde arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij arrest van 30 november 2007 heeft de Hoge Raad tegen [verweerster] verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.