ECLI:NL:HR:2008:BC3931

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/282HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in civiele geschil over contractuele tekortkoming en betaling

Eiser heeft verweerster gedagvaard wegens vermeende toerekenbare tekortkoming door het met onmiddellijke ingang beëindigen van een overeenkomst uit 1996 en vordert betaling van diverse bedragen, waaronder contractuele boete, onbetaalde facturen en rente. Verweerster betwist de vorderingen en vordert in reconventie betaling van een aanzienlijk bedrag.

De rechtbank veroordeelde verweerster tot betaling van een deel van de gevorderde bedragen en wees het overige af. Beide partijen stelden hoger beroep in. Het hof verklaarde het beroep van eiser tegen een tussenvonnis niet-ontvankelijk en wees zijn beroep tegen het eindvonnis ongegrond, terwijl het incidenteel hoger beroep van verweerster gedeeltelijk werd toegewezen.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen meerdere arresten van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en verwerpt het beroep. De Hoge Raad bevestigt daarmee de beslissingen van lagere instanties en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

4 april 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/282HR
RM/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Biemond, thans mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster], voorheen genaamd [A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 1 september 1998 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en, na wijziging van eis, gevorderd, kort gezegd:
1. te verklaren voor recht dat [verweerster] jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten door de overeenkomst van 23 september 1996 met onmiddellijke ingang te beëindigen;
2. [verweerster] te veroordelen tot betaling van:
a. ƒ 432.00,-- als contractuele boete,
b. ƒ 219.441,94 inclusief BTW, ter zake van onbetaalde facturen;
c. ƒ 69.246,11, als het aan [eiser] toekomende saldo van de rekening-courant tussen partijen;
d. ƒ 2.998,42 aan wettelijke rente over ƒ 651.441,94 tot 25 augustus 1998;
e. de wettelijke rente over ƒ 720.688,05 vanaf 25 augustus 1998, althans vanaf de dag van dagvaarding;
f. ƒ 23.703,26 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 1.995.172,12, en een bedrag van ƒ 7.931,25, vermeerderd met rente en kosten.
[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.
De rechtbank heeft bij een tussenvonnis van 3 november 2000 een comparitie van partijen gelast en voorwaardelijk [verweerster] tot levering van bewijs toegelaten. Bij eindvonnis van 8 maart 2002 heeft de rechtbank in conventie [verweerster] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 40.540,72 vermeerderd met de wettelijke rente, en in conventie en in reconventie, het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na tussenarresten van 28 september 2004, 24 mei 2005, 15 november 2005, getuigenverhoren en verder processueel debat, heeft het hof bij eindarrest van 11 april 2006 in het principale appel [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het tussenvonnis van 3 november 2000 en het beroep tegen het eindvonnis ongegrond verklaard. In het incidenteel appel heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie en in reconventie, [verweerster] veroordeeld aan [eiser] € 7.868,54 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 1998. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.
De arresten van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 28 september 2004, 24 mei 2005, 15 november 2005 en 11 april 2006 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij schrijven van 22 februari 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 1.286,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 april 2008.