ECLI:NL:HR:2007:BB7681
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf en uitleg schadevergoedingsmaatregel bij mededaders
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd kreeg.
Het hof had verdachte vrijgesproken van een poging tot afpersing, maar veroordeeld voor een ander feit. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. Daarom werd de gevangenisstraf verminderd tot zestien maanden en drie weken, waarvan vijf maanden en twee weken voorwaardelijk.
Daarnaast werd de uitleg van de schadevergoedingsmaatregel besproken. De Hoge Raad stelde dat op grond van artikel 6:7 lid 2 BW Pro, waarin hoofdelijke aansprakelijkheid wordt geregeld, de betalingsverplichting van verdachte aan de Staat komt te vervallen indien zijn mededader de schade aan de benadeelde partij reeds heeft voldaan. Dit betekent dat de verplichting niet dubbel kan worden opgelegd.
De overige middelen van cassatie werden verworpen, en het arrest van het hof werd in zoverre vernietigd dat de straf werd verminderd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 11 december 2007.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot zestien maanden en drie weken, waarvan vijf maanden en twee weken voorwaardelijk; betalingsverplichting aan Staat vervalt indien mededader schade heeft voldaan.