ECLI:NL:HR:2007:BB7191

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/186HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 lid 4 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt inlenersaansprakelijkheid bij arbeidsongeval tijdens boortorentransport

Deze zaak betreft een arbeidsongeval tijdens het transport van een boortoren waarbij de vraag centraal stond of de inlener als materiële werkgever aansprakelijk kan worden gesteld voor fouten van derden bij wie de werknemer feitelijk was tewerkgesteld. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 12 november 2004 waarin het geding werd terugverwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling.

Na behandeling door het gerechtshof te Leeuwarden, dat het vonnis van de kantonrechter bekrachtigde, stelde eiser beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding. Hiermee wordt bevestigd dat de inlener aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro, ook voor fouten van derden bij wie de werknemer was tewerkgesteld, binnen het toepasselijke overgangsrecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de inlenersaansprakelijkheid van Deutag wordt bevestigd.

Uitspraak

23 november 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/186HR
MK/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
KCA DEUTAG NEDERLAND B.V., voorheen genaamd DEUTAG NEDERLAND B.V., daarvoor genaamd DEUTAG FRIESLAND DRILLING B.V.,
gevestigd te Assen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Deutag.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen [eiser] en Deutag verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 12 november 2004, nr. C03/149, NJ 2005, 552. In dat arrest heeft de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank te Assen van 22 januari 2003 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Leeuwarden verwezen.
Bij exploot van 1 februari 2005 heeft [eiser] Deutag opgeroepen te verschijnen voor het gerechtshof te Leeuwarden teneinde het geding na verwijzing te hervatten.
Bij arrest van 22 maart 2006 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2001 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Deutag heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Deutag begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 november 2007.