ECLI:NL:HR:2007:BB5547
Hoge Raad
- Cassatie
- P.C. Kop
- O. de Savornin Lohman
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in ondertoezichtstelling na termijnverstrijking
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Amsterdam om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van één jaar. De rechtbank stelde het kind onder toezicht, aanvankelijk voor zes maanden en later verlengd tot een jaar. De moeder verzette zich tegen deze maatregelen en stelde hoger beroep in, maar werd door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling op 21 maart 2007 was verstreken, waardoor de moeder geen belang meer had bij haar cassatieberoep. Daarom werd zij niet-ontvankelijk verklaard. De klachten van de moeder konden bovendien niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering, aangezien zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De beschikking werd gegeven door de raadsheren P.C. Kop, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer E.J. Numann op 30 november 2007.
Uitkomst: De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens gebrek aan belang na het verstrijken van de ondertoezichtstelling.