ECLI:NL:HR:2007:BA6569

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02797/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J.M. Corstens
  • J.W. Ilsink
  • J. de Hullu
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in moordzaak

De verdachte werd door het hof in hoger beroep veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf voor de moord op zijn echtgenoot, een sciencefictionschrijver met wie hij een meester-slaaf-verhouding had. Het slachtoffer werd gevonden met een plastic zak om het hoofd en een hoge concentratie slaapmiddel in het bloed. Daarnaast werden een afscheidsbrief en e-mails aangetroffen die zelfmoord en besmetting met HIV suggereerden.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en verwierp deze. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM was overschreden, wat een ambtshalve strafvermindering rechtvaardigde.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze tot elf jaar en acht maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen. De benadeelde partij was door het hof niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 30 oktober 2007, waarbij vijf raadsheren betrokken waren.

Uitkomst: De gevangenisstraf voor moord is verminderd tot elf jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

30 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02797/06
RR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 maart 2006, nummer 21/005649-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 september 2004 - de verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 7 maart 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en acht maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 oktober 2007.