Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:BA6415

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43110
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 lid 7 Wet IB 2001Art. 9.2 lid 1 Wet IB 2001Art. 2.6 Wet IB 2001Art. 11 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking verrekening dividendbelasting voor partieel buitenlandse belastingplichtigen bevestigd

Belanghebbende, die sinds 1994 in Nederland woont en werkt, had voor het jaar 2002 gekozen voor de toepassing van de regels voor buitenlandse belastingplichtigen bij de inkomstenbelasting. Hij verzocht om verrekening van €31.007 aan dividendbelasting, waarvan de Inspecteur slechts €30.229 verrekende, omdat de resterende €778 na 22 juli 2002 was ingehouden.

Het Hof oordeelde dat deze €778 terecht niet als voorheffing in aanmerking was genomen, omdat volgens artikel 9.2 lid 7 Wet IB 2001 de beperking van de verrekening van dividendbelasting ook geldt voor buitenlandse belastingplichtigen en de geheven dividendbelasting geen betrekking had op bestanddelen van het verzamelinkomen.

Belanghebbende stelde hiertegen beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigde dat de wettelijke regeling op belanghebbende van toepassing was en dat het oordeel van het Hof correct was. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de beperking van de verrekening van dividendbelasting voor partieel buitenlandse belastingplichtigen bevestigd.

Uitspraak

nr. 43.110
12 oktober 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 februari 2006, nr. 04/04884, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 15 mei 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde en werkte gedurende een aaneengesloten periode van ongeveer tien jaar in het buitenland. Sinds 1 januari 1994 woont en werkt belanghebbende in Nederland. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende op de voet van artikel 2.6 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 11 Uitvoeringsbesluit Pro inkomstenbelasting 2001 gekozen voor gedeeltelijke toepassing van de regels van de Wet IB 2001 voor buitenlandse belastingplichtigen. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende verzocht een bedrag van € 31.007 aan dividendbelasting te verrekenen. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag alleen de vóór 22 juli 2002 ingehouden dividendbelasting, zijnde een bedrag van € 30.229, verrekend.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag terecht een bedrag van € 778 aan geheven dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking heeft genomen. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
3.3. Ingevolge lid 7 van het met ingang van 22 juli 2002 geldende artikel 9.2 Wet IB 2001 (tekst geldend tot 1 januari 2006) wordt voor buitenlandse belastingplichtigen, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.2, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft voor wat betreft de heffing over zijn inkomen in box 3 gekozen voor toepassing van de wettelijke regels voor buitenlandse belastingplichtigen. Tot die regels behoort ook voormeld artikel 9.2, lid 7, Wet IB 2001, zodat deze bepaling op belanghebbende van toepassing is. Nu, naar in cassatie niet in geschil is, de geheven dividendbelasting geen betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen van belanghebbende, is de na 22 juli 2002 ingehouden dividendbelasting terecht niet als voorheffing in aanmerking genomen.
's Hofs oordeel is mitsdien juist. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2007.