ECLI:NL:HR:2007:BA6243

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/141HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 F FaillissementswetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling na faillissementsverklaring

Verzoekers hebben bij de rechtbank Almelo een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dat op grond van facultatieve weigeringsgronden werd afgewezen. Vervolgens zijn zij op eigen verzoek failliet verklaard. Daarna hebben zij opnieuw verzocht om opheffing van het faillissement en gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar ook dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen.

Tegen deze afwijzing is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem, dat het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd. Hiertegen is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder nadere motivering, omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De uitspraak bevestigt dat de facultatieve weigeringsgronden in artikel 288 lid Pro 2 F van de Faillissementswet een geldige grond vormen om een verzoek tot schuldsanering af te wijzen, ook na faillissementsverklaring en verzoek tot opheffing daarvan. Het arrest is gewezen door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling na faillissementsverklaring werd afgewezen en het cassatieberoep verworpen.

Uitspraak

13 juli 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/141HR
RM/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1], en
2. [Verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: P. Garretsen.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoekers].
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 11 mei 2005 is het verzoek van [verzoekers] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Hierna heeft de rechtbank bij vonnis van 15 juni 2005 [verzoekers] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard, met benoeming van een rechter-commissaris en een curator.
Met een op 4 juli 2006 ter griffie van de rechtbank Almelo ingekomen verzoekschrift hebben [verzoekers] zich gewend tot die rechtbank en verzocht de opheffing van het faillissement uit te spreken, onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Na mondelinge behandeling op 5 september 2006, heeft de rechtbank bij vonnis van 14 september 2006 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Verzoekers] hebben het hof verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat zij alsnog tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten.
Na mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 12 oktober 2006 het vonnis van de rechtbank van 14 september 2006 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 13 juli 2007.