ECLI:NL:HR:2007:BA5617
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart OvJ niet-ontvankelijk in uitleveringsverzoek wegens afwezigheid opgeëiste persoon
De zaak betreft een cassatieberoep van de Officier van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht die een uitleveringsverzoek van Turkije heeft afgewezen. De opgeëiste persoon, geboren in 1968, heeft verklaard geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben. Uit stukken blijkt dat hij inmiddels is uitgezet na ontslag uit uitleveringsdetentie en een afgewezen asielaanvraag.
De raadsman van de opgeëiste persoon overlegt een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst waarin staat dat de persoon op 13 december 2006 aan Frankrijk zal worden overgedragen. Een overzicht van februari 2007 toont dat er geen adres of detentieplaats in Nederland bekend is. Hierdoor is de grondslag voor het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek komen te vervallen.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering. De uitspraak bevestigt dat een uitleveringsverzoek niet kan worden behandeld als de opgeëiste persoon niet in Nederland aanwezig is.
De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, uitgesproken op 12 juni 2007.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in het uitleveringsverzoek wegens afwezigheid van de opgeëiste persoon in Nederland.