ECLI:NL:HR:2007:BA5617

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00331/07 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart OvJ niet-ontvankelijk in uitleveringsverzoek wegens afwezigheid opgeëiste persoon

De zaak betreft een cassatieberoep van de Officier van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht die een uitleveringsverzoek van Turkije heeft afgewezen. De opgeëiste persoon, geboren in 1968, heeft verklaard geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben. Uit stukken blijkt dat hij inmiddels is uitgezet na ontslag uit uitleveringsdetentie en een afgewezen asielaanvraag.

De raadsman van de opgeëiste persoon overlegt een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst waarin staat dat de persoon op 13 december 2006 aan Frankrijk zal worden overgedragen. Een overzicht van februari 2007 toont dat er geen adres of detentieplaats in Nederland bekend is. Hierdoor is de grondslag voor het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek komen te vervallen.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering. De uitspraak bevestigt dat een uitleveringsverzoek niet kan worden behandeld als de opgeëiste persoon niet in Nederland aanwezig is.

De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, uitgesproken op 12 juni 2007.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in het uitleveringsverzoek wegens afwezigheid van de opgeëiste persoon in Nederland.

Uitspraak

12 juni 2007
Strafkamer
nr. 00331/07 U
AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Maastricht van 5 december 2006, nummer 03/702012-06, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek
3.1. De bestreden uitspraak houdt in dat de opgeëiste persoon ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard dat hij geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
De cassatieschriftuur houdt in dat de opgeëiste persoon "inmiddels uitgezet is uit Nederland (na ontslag uit uitleveringsdetentie en na een afgewezen asielaanvraag)".
Voorts is door de raadsman van de opgeëiste persoon bij gelegenheid van de tegenspraak van het cassatieberoep een brief overgelegd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 12 december 2006 gericht aan de Rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, afdeling Vreemdelingenrecht, inzake de "Bewaringszitting 13 december 2006" betreffende de opgeëiste persoon.
Dit schrijven houdt in dat de opgeëiste persoon op 13 december 2006 aan Frankrijk zal worden overgedragen (Schiphol-Parijs).
Het ten behoeve van de aanzegging van de behandeling van het cassatieberoep opgevraagde overzicht van 12 februari 2007 inzake de adresgegevens van de opgeëiste persoon houdt in dat hier te lande geen adres van hem bekend is en dat hij hier niet is gedetineerd.
3.2. Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.1 is vermeld, moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon zich niet in Nederland bevindt. Daarmee is aan de inleidende vordering van de Officier van Justitie tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek de grondslag komen te ontvallen. Hieruit vloeit voort dat de Officier van Justitie in die vordering alsnog niet kan worden ontvangen.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidende vordering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 juni 2007.