ECLI:NL:HR:2007:BA2282
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot horen van getuigen en deskundigen in hoger beroep strafzaak medeplegen oplichting
In deze strafzaak tegen verdachte wegens medeplegen van oplichting heeft de verdediging in hoger beroep verzocht om het horen van drie getuigen en een deskundige, om onder meer een alibi te staven en de bewijswaarde van fotoconfrontaties te toetsen. Het hof wees deze verzoeken af, omdat het geen noodzaak zag voor het horen van deze getuigen en deskundige, en hanteerde daarbij een onjuiste maatstaf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek had moeten toetsen aan de vraag of het afzien van oproeping van de getuigen en deskundige de verdediging van verdachte redelijkerwijs zou schaden, zoals voorgeschreven in de relevante wetsartikelen (art. 287, 288, 299 en 415 Sv). Het hof had onterecht het criterium van noodzaak gehanteerd, waardoor de verdediging werd benadeeld.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat een per fax ingediend verzoek tot het oproepen van getuigen kan worden aangemerkt als een schriftelijke opgave in de zin van art. 263 Sv Pro, ook in hoger beroep. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de juiste maatstaf.
Verder merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, hetgeen bij een eventuele strafoplegging door het hof in aanmerking moet worden genomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling met toepassing van de juiste maatstaf voor het verzoek tot het horen van getuigen en deskundigen.