ECLI:NL:HR:2007:BA1833
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling teruggaaf omzetbelasting na prijsgeven vordering in faillissement
Belanghebbende verzocht teruggaaf van omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2001, nadat zij facturen met omzetbelasting aan J B.V. had uitgereikt en de omzetbelasting had voldaan. J B.V. was failliet verklaard en belanghebbende had een creditfactuur uitgereikt met dagtekening 19 juni 2001, die een formeel herstel betrof van een eerdere creditfactuur van 30 oktober 1998.
De Inspecteur wees het verzoek af en het Hof verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het prijsgeven van de vordering op J B.V. reeds geruime tijd vóór het tijdvak 1 april tot en met 30 juni 2001 had plaatsgevonden. Belanghebbende stelde in cassatie dat het faillissement nog niet was afgerond en dat het niet zeker was dat alle crediteuren volledig zouden worden betaald, zodat het recht op teruggaaf pas met de creditfactuur van juni 2001 was ontstaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het recht op teruggaaf omzetbelasting ontstaat in het tijdvak waarin het prijsgeven van de vordering plaatsvindt. Het Hof had terecht geoordeeld dat dit tijdstip vóór het onderhavige tijdvak lag, ook als de creditfactuur van oktober 1998 niet aan de wettelijke vereisten zou voldoen. Het cassatieberoep faalt en de Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest bevestigt de uitleg van artikel 29 en Pro 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968 omtrent het tijdstip van het ontstaan van het recht op teruggaaf bij prijsgeven van vorderingen in faillissementssituaties.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat het recht op teruggaaf omzetbelasting ontstaat bij het prijsgeven van de vordering vóór het onderhavige tijdvak.