ECLI:NL:HR:2007:AZ8362
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn tussen verstekarrest en betekening met strafvermindering
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij ter zake van valsheid in geschrift werd veroordeeld tot negen weken gevangenisstraf.
Het geschil betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de periode tussen het bij verstek gewezen arrest en de betekening daarvan aan de verdachte. De Hoge Raad toetste dit aan het betekeningsarrest NJ 2000, 721 en verwees naar NJ 2005, 385.
De Hoge Raad stelde vast dat de vertraging tot 24 maart 2000 niet aan het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend omdat verdachte tijdelijk een bekend adres had. Na die datum werd de verstekmededeling echter niet binnen een jaar rechtsgeldig betekend, waardoor de vertraging vanaf 24 maart 2000 tot 4 september 2001 wel voor rekening van het Openbaar Ministerie kwam.
Hoewel de redelijke termijn is overschreden, gaf de Hoge Raad geen ontslag van rechtsvervolging maar paste hij strafvermindering toe. De gevangenisstraf werd verminderd tot acht weken, waarbij het belang van normhandhaving prevaleerde boven het belang van de verdachte bij verval van het strafrecht.
Het beroep werd verder verworpen en het arrest werd vernietigd uitsluitend wat betreft de duur van de straf.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot acht weken wegens overschrijding van de redelijke termijn tussen verstekarrest en betekening.