ECLI:NL:HR:2007:AZ8175

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/149HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake partneralimentatie na echtscheiding

De vrouw diende een verzoek in bij de rechtbank Leeuwarden om de beschikking van de rechtbank Arnhem uit 1997 te wijzigen en de man te verplichten tot een partneralimentatie van €3.000 per maand vanaf 28 maart 1998. De man bestreed dit verzoek. De rechtbank wees het verzoek voor de periode tot 31 maart 2003 af en verwees de zaak voor het overige door.

Na een tussenbeschikking wijzigde de rechtbank de alimentatieverplichting vanaf 31 maart 2003 tot €1.942 per maand. Hiertegen stelde de man hoger beroep in, en de vrouw incidenteel hoger beroep. Het hof verklaarde het incidenteel beroep van de vrouw niet-ontvankelijk voor de periode tot 31 maart 2003, vernietigde de beschikking voor het overige en bepaalde de alimentatie vanaf genoemde datum op €966 per maand.

De vrouw stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beslissing van het hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de alimentatieverplichting van €966 per maand vanaf 31 maart 2003.

Uitspraak

13 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/149HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 31 maart 2003 ter griffie van de rechtbank Leeuwarden ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van de rechtbank Arnhem van 22 april 1997 te wijzigen en aan verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - ten behoeve van de vrouw een alimentatiebijdrage op te leggen van € 3.000,-- per maand, met ingang van 28 maart 1998.
De man heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2004 het verzoek van de vrouw voor zover dit betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003 afgewezen, en de zaak voor het overige verwezen naar de rol om door te procederen. De rechtbank heeft, na een tussenbeschikking van 12 mei 2004, bij eindbeschikking van 24 november 2004 de beschikking van de rechtbank Arnhem van 22 april 1997 aldus gewijzigd, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 2003 wordt gesteld op een bedrag van € 1.942,-- per maand.
Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De vrouw heeft tegen de beschikking van 28 januari 2004 en de eindbeschikking incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 4 augustus 2006 heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in het incidenteel beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004 en tegen de beschikking van 24 november 2004 voorzover het incidenteel beroep betrekking heeft op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie voor wat betreft de periode tot 31 maart 2003, de beschikking van 24 november 2004 voor het overige vernietigd, en in zoverre opnieuw beslissende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 31 maart 2003 op € 966,-- per maand bepaald.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 april 2007.