ECLI:NL:HR:2006:AY7444

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/189HR (1441)
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over dubbeltelling rente bij schadeloosstelling onteigening bedrijfsruimte

In deze onteigeningszaak stond de berekening van de schadeloosstelling voor het verlies van bedrijfsruimte centraal, met name de vraag of rente over vrijgevallen investeringskapitaal dubbel was meegerekend.

De zaak betreft een vervolg op een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2002, waarbij het geding werd verwezen naar het hof voor nadere behandeling. Het hof benoemde deskundigen die de schadeloosstelling nader moesten begroten, waarbij zij concludeerden dat verrekening van rentevoordelen en nadelen resulteerde in een positief saldo voor eiser.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld door zowel de rente over het vrijgevallen kapitaal als de rentecomponent in de huisvestingskosten van de stallingsruimte in mindering te brengen, waardoor dezelfde rente tweemaal werd verrekend. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.

De Hoge Raad veroordeelde de gemeente tevens in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 29 september 2006.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens dubbeltelling van rente en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.

Uitspraak

29 september 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/189HR (1441)
JMH/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
DE GEMEENTE 's-GRAVENHAGE,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
1. Het verloop van het geding in vorige instanties
Voor het verloop van het geding in vorige instanties tussen eiser tot in cassatie (hierna: [eiser]) en verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 15 februari 2002, nr. 1326, NJ 2002, 531. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 januari 2001 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage verwezen.
De Gemeente heeft bij exploot van 18 maart 2002 [eiser] opgeroepen te verschijnen voor het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde verder te procederen na verwijzing.
Na memoriewisseling door partijen heeft het hof bij tussenarrest van 12 februari 2004 drie deskundigen benoemd ter (nadere) begroting van de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling in verband met het verlies van de bedrijfsruimte. Voorts heeft het hof een rechter-commissaris benoemd en een datum voor de mondelinge behandeling bepaald.
Na deskundigenbericht heeft het hof bij arrest van 23 juni 2005:
- het bedrag van de in totaal door de Gemeente aan [eiser] verschuldigde schadeloosstelling bepaald op € 128.192,91 waarin begrepen het betaalde voorschot van € 104.142,56 (ƒ 229.500,--) en op een rente van 4,5% per jaar over € 24.050,35 (ƒ 53.000,--) sedert 13 juli 2000 tot aan 17 januari 2001;
- de Gemeente veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag van € 24.050,35 en de genoemde rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over de som daarvan vanaf 21 januari 2001 tot aan de dag der voldoening;
- verstaan dat de Gemeente haar aanbod tot vergoeding van de belastingschade, zoals te zijner tijd vast te stellen door de stichting SOAZ te Rotterdam, gestand doet;
- de Gemeente veroordeeld in de kosten van de twee commissies van deskundigen, alsook in de kosten van de procedures telkens in beide instanties.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
[Eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 23 juni 2005 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, naar rov. 3.1 van zijn hiervoor onder 1 genoemde arrest van 15 februari 2002. In dit arrest werd een klacht over dubbeltelling van het op de bijkomende schade in mindering te brengen rentevoordeel gegrond bevonden alsmede een klacht over het niet meewegen van de schade als gevolg van het verlies van stallingsruimte voor auto's. Nadat het verwijzingshof vervolgens drie deskundigen had benoemd, die de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling in verband met het verlies van de bedrijfsruimte (nader) moesten begroten, heeft het de conclusie van deskundigen, dat verrekening van de (bijkomende) voordelen en nadelen van de onteigening in een voor [eiser] positief saldo resulteert, in hoofdzaak overgenomen.
3.2 De deskundigen hebben de vraag, of in het bedrag van ƒ 9.000,--, dat door de rechtbank op het voetspoor van deskundigen in aanmerking was genomen als kosten van huisvesting van het bedrijf Labotech in het onteigende, een bedrag aan gederfde rente over het geïnvesteerde kapitaal was opgenomen, bevestigend beantwoord. Zij hebben de volgende nieuwe, door het hof juist bevonden, berekening gemaakt met betrekking tot de te verrekenen rente over het vrijkomend kapitaal.
"Het vrijgekomen kapitaal van de totale bedrijfsruimte is ƒ 187.500,- (uitgaande van een prijs van ƒ 150 per m2), waarvan ƒ 90.000,- (60 m2) voor Labotech is aangewend. [eiser] wordt geacht dit kapitaal aan te wenden voor zijn bedrijf. De over dit gedeelte van het kapitaal gederfde rente ad 4,5% of ƒ 4.050 komt niet voor verrekening met een door [eiser] geleden nadeel in aanmerking. Het gedeelte dat wel voor verrekening in aanmerking komt, is ƒ 4.387,50, te weten het verschil tussen ƒ 8.437,50, zijnde de rente over het gehele, voor de totale bedrijfsruimte vrijgekomen kapitaal, en genoemde ƒ 4.050. Deskundige berekenen het verschil tussen het huren van vervangende bedrijfsruimte, door hen begroot op ƒ 12.000 (ƒ 200 per m2), met de huisvestingskosten van ƒ 9.000, op ƒ 3.000, welk nadelig verschil voor verrekening met genoemde ƒ 4.387,50 in aanmerking komt. Voor [eiser] resteert dan een jaarlijks voordeel van ƒ 1.387,50, hetgeen gekapitaliseerd met de factor 10 een voordeel van ƒ 13.875 oplevert." (rov. 2)
Het hof heeft vervolgens de huur voor bedrijfsruimte ter vervanging van het resterende voor de stalling van twee auto's gebruikte deel van de bedrijfsruimte begroot op ƒ 7.200,-- per jaar en de huisvestingskosten die aan dit deel zijn toe te rekenen bepaald op ƒ 9.750,-- per jaar, hetgeen naar het oordeel van het hof betekende dat [eiser] wat de stallingsruimte betreft als gevolg van de onteigening een voordeel van ƒ 2.550,-- per jaar geniet, ofwel - na kapitalisatie met factor 10 - ƒ 25.500,--.
3.3 Middel I, waarin besloten ligt dat ook in het hiervoor in 3.2 genoemde bedrag van ƒ 9.750,-- een rentecomponent is begrepen, komt erop neer dat het hof, nu het in rov. 2 de rente over het voor de stallingsruimte vrijgevallen kapitaal al had verrekend niet ook nog eens in rov. 11 de aan die stallingsruimte toegerekende huisvestingskosten (ƒ 9.750,--) in hun geheel had mogen verrekenen met het bedrag van ƒ 7.200,-- aan huur voor vervangende stallingsruimte.
3.4 Het middel slaagt. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het zowel de rente over het in de stallingsruimte geïnvesteerde kapitaal dat als gevolg van de onteigening was vrijgevallen, als de huisvestingskosten van de stalling voor onteigening inclusief rente van de bijkomende schade heeft afgetrokken, omdat het daardoor dezelfde rente twee maal in aanmerking heeft genomen. Indien het hof echter van oordeel was dat in de kosten voor de stallingsruimte geen rentecomponent was begrepen, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
3.5 De in de middelen II en III aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.6 Het slagen van middel I brengt mee dat de onderdelen (i) en (ii) van middel IV eveneens slagen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juni 2005;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 886,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C.Kop, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 september 2006.