ECLI:NL:HR:2006:AT8208
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over afrondingsmethoden van verschuldigde omzetbelasting volgens EU-richtlijnen
Belanghebbende, een fiscale eenheid die supermarkten exploiteert, heeft bezwaar gemaakt tegen de door haar toegepaste methode van afronden van de verschuldigde omzetbelasting per winkelmandje. Zij stelde dat de BTW per artikel afzonderlijk en naar beneden afgerond moest worden, wat een lager bedrag aan belasting zou opleveren. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verschuldigde omzetbelasting per afzonderlijke levering moet worden vastgesteld en afgerond volgens de rekenkundige methode, waarbij afronding naar boven mogelijk is.
De Hoge Raad overwoog dat in het nationale recht geen specifieke regels voor afronding van BTW-bedragen bestonden in het tijdvak oktober 2003, maar dat vanaf 1 juli 2004 een rekenkundige afrondingsmethode op centen werd voorgeschreven. De Europese richtlijnen bevatten geen expliciete regels over afronding, maar het Hof van Justitie moet beoordelen of de richtlijnen het afronden per artikel naar beneden toestaan.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het communautaire recht met betrekking tot de afrondingswijze van BTW-bedragen, in het bijzonder over de toepassing van artikel 2 van Pro de Eerste richtlijn en artikelen 11 en 22 van de Zesde richtlijn. De procedure werd geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de juiste afrondingsmethode van BTW-bedragen.