ECLI:NL:HR:2005:AU0871

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38567
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie§ 21 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens niet-tijdige aangifte vennootschapsbelasting 1998

Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 1998 een boete van ƒ1250 opgelegd wegens niet-tijdige aangifte vennootschapsbelasting. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de boete, en het Hof verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde in cassatie dat eerdere verzuimen over 1994, 1995 en 1996 niet aan haar waren meegedeeld, wat het hof ten onrechte niet had behandeld.

De Hoge Raad oordeelde dat de Inspecteur deze stelling niet had weersproken en dat de eerdere verzuimen niet aan belanghebbende waren meegedeeld. Hierdoor moest het verzuim van 1998 als eerste verzuim worden aangemerkt volgens het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest en de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de boete tot ƒ250.

Daarnaast werd bepaald dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de cassatieprocedure en het hof moest vergoeden. De overige klachten werden niet gegrond verklaard, en er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.

Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het verzuimbegrip en de mededelingsplicht bij opeenvolgende verzuimen in het belastingrecht.

Uitkomst: De boete wegens niet-tijdige aangifte vennootschapsbelasting 1998 wordt verminderd van ƒ1250 naar ƒ250 en eerdere uitspraken worden vernietigd.

Uitspraak

Nr. 38.567
12 augustus 2005
PV
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 augustus 2002, nr. 00/02059, betreffende na te melden boetebeschikking.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 gelijktijdig met de vaststelling van een aanslag in de vennootschapsbelasting een boete van ƒ 1250 wegens niet-tijdige aangifte opgelegd. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat haar met betrekking tot de jaren 1994, 1995 en 1996 niet is meegedeeld dat zij had verzuimd tijdig aangifte te doen. Het Hof heeft deze stelling ten onrechte niet behandeld. De klachten slagen in zoverre. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven.
3.2. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Nu de stukken van het geding uitwijzen dat de Inspecteur voormelde stelling van belanghebbende niet heeft weersproken, kan de conclusie in deze zaak geen andere zijn dan dat de gestelde verzuimen niet aan belanghebbende zijn meegedeeld. Voorts staat vast dat belanghebbende over voormelde jaren geen verhogingen zijn opgelegd. Het in het onderhavige jaar door belanghebbende begane verzuim moet mitsdien als een eerste verzuim in de zin van § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 worden aangemerkt (vgl. HR 13 augustus 2004, nr. 37804, BNB 2005/41).
3.3. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,
vermindert de boete tot op een bedrag van ƒ 250 (€ 113,45), en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrag van ƒ 450, derhalve in totaal ƒ 1170,61 (€ 531,20).
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2005.