ECLI:NL:HR:2005:AT6019

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/242HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Invorderingswet 1990Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en onvolledige administratie

In deze invorderingszaak stond de bestuurdersaansprakelijkheid van eiser centraal op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990 wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Ontvanger van de Belastingdienst had eiser gedagvaard voor een bedrag van ƒ 136.307,-- wegens te weinig aangegeven en afgedragen omzetbelasting.

De rechtbank Arnhem wees de vordering van de Ontvanger toe, welke beslissing werd bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, mede gelet op artikel 81 RO Pro.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat eiser als bestuurder aansprakelijk was wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, waaronder een onvolledige en ondoorzichtige administratie en onvoldoende aangegeven omzetbelasting. Tevens werd eiser veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bestuurdersaansprakelijkheid bevestigd.

Uitspraak

14 oktober 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/242HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND,
voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Gorinchem,
kantoorhoudende te Gorinchem,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.J. Schenck,
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 9 juli 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en na wijziging van eis bij conclusie van repliek gevorderd bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 136.307,--, althans, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ingevolge art. 23 AWR Pro (dat is ingediend tegen de aanslag met nummer [001]) een ander bedrag wordt vastgesteld, dat andere bedrag, vermeerderd met de invorderingsrente over dit bedrag vanaf 25 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding, die van het in de inleidende dagvaarding genoemde conservatoire beslag daaronder begrepen.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 17 februari 2000 de vordering toegewezen.
Tegen voormeld vonnis van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 24 februari 2004 heeft het hof het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 17 februari 2000 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.926,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 oktober 2005.