ECLI:NL:HR:2005:AS4907
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat boete voor niet-tijdige betaling omzetbelasting tweede verzuim betreft
Belanghebbende heeft de omzetbelasting over de maanden september, oktober en november 2001 niet tijdig voldaan. De Inspecteur legde boetes op voor deze verzuimen, oplopend van eerste tot derde verzuim volgens het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) 1998. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de boete voor het derde verzuim verminderd tot het bedrag van een tweede verzuim, omdat belanghebbende niet tijdig op de hoogte was gesteld van de boete voor het tweede verzuim.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad bevestigt dat voor de rangorde van verzuimen in de boetereeks alleen verzuimen meetellen waarvan de belastingplichtige tijdig op de hoogte was gesteld. Omdat de boetebeschikking voor het tweede verzuim pas na het derde verzuim aan belanghebbende bekend werd, telt het tweede verzuim niet mee bij de bepaling van de boetereeks.
Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard. Ook het incidentele beroep van belanghebbende, die stelde dat het verzuim niet als verwijtbaar moest worden aangemerkt, wordt verworpen. De Hoge Raad legt geen proceskosten op en bevestigt de vermindering van de boete tot het niveau van een tweede verzuim.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de boete voor november 2001 als tweede verzuim geldt en verklaart het cassatieberoep ongegrond.