ECLI:NL:HR:2005:AS4117

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40182
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36l lid 11 WBMArt. 8ja Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen teruggaaf regulerende energiebelasting aan instellingen zonder statuten

Belanghebbende, de gemeente Leiderdorp, verzocht om gedeeltelijke teruggaaf van de regulerende energiebelasting (REB) over het jaar 2000. De Inspecteur wees dit verzoek af en handhaafde deze beslissing na bezwaar. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat voor teruggaaf op grond van artikel 36l lid 11 van de Wet belastingen op milieugrondslag vereist is dat de instelling statuten heeft.

Belanghebbende stelde dat hoewel zij als gemeente geen statuten heeft, zij wel voldoet aan de eisen dat zij maatschappelijke, sociale of culturele activiteiten verricht, zoals bedoeld in de wet. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever met artikel 36l lid 11 uitsluitend instellingen met privaatrechtelijke statuten bedoelde en publiekrechtelijke lichamen zoals gemeenten buiten de doelgroep vallen.

De toelichting op het amendement Reitsma bevestigt dat publiekrechtelijke lichamen niet zijn bedoeld voor teruggaaf. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de weigering van teruggaaf aan instellingen zonder statuten, zoals gemeenten, in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat instellingen zonder statuten, zoals gemeenten, geen recht hebben op teruggaaf van regulerende energiebelasting.

Uitspraak

Nr. 40.182
24 juni 2005
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de gemeente Leiderdorp te Leiderdorp tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 september 2003, nr. BK-02/01565, betreffende de beschikking op haar verzoek om teruggaaf van regulerende energiebelasting.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbendes verzoek om gedeeltelijke teruggaaf van de aan haar in rekening gebrachte regulerende energiebelasting met betrekking tot elektriciteit verbruikt in het jaar 2000 is door de Inspecteur afgewezen. Deze beschikking is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 22 december 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat voor teruggaaf van belasting op grond van artikel 36l, lid 11, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst tot en met 31 december 2001; hierna: de Wet), zoals uitgewerkt in artikel 8ja van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag, is vereist dat de verzoekende instelling over statuten beschikt. Het Hof heeft verworpen de zienswijze van belanghebbende dat dit vereiste niet méér betekenis heeft dan dat de doelstelling van de instelling kenbaar is.
3.2. Het middel herhaalt het voor het Hof gehouden betoog dat voor belanghebbende, hoewel zij als gemeente geen statuten heeft, niet minder dan voor een instelling die wel statuten kent, voorschriften gelden waaruit kan worden afgeleid dat zij zich, zoals artikel 36l, lid 11, van de Wet vereist, bezighoudt met maatschappelijke, sociale of culturele activiteiten.
3.3. De tekst van artikel 36l, lid 11, van de Wet is afgestemd op het voor teruggaaf van belasting in aanmerking brengen van instellingen die geregeerd worden door bepalingen van privaatrecht. Belanghebbende, een publiekrechtelijke rechtspersoon, valt derhalve buiten de aldus omschreven doelgroep van voormelde bepaling. Uit de in de onderdelen 2.1.2 tot en met 2.1.6 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36l, lid 11, van de Wet kan niet worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling heeft gehad aan die bepaling een ruimer toepassingsbereik te geven dan met de bewoordingen van de bepaling tot uitdrukking is gebracht. In de toelichting op het amendement Reitsma dat de basis vormt van de onderhavige bepaling, is niet gerept over publiekrechtelijke lichamen, hetgeen zijn verklaring hierin kan vinden dat deze niet behoorden tot de instellingen die niet op andere wijze enige tegemoetkoming uit overheidsmiddelen zouden ontvangen ter compensatie van de regulerende energiebelasting. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, J.W. van den Berge en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2005.