ECLI:NL:HR:2005:AR1738
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid belastingheffing bij zetelverplaatsing pensioenlichaam naar België
Belanghebbende, een pensioenlichaam waarvan de feitelijke leiding en zetel naar België werden verplaatst, kreeg voor 1996 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die werd verhoogd op grond van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag aanzienlijk verminderd omdat toepassing van artikel 23a in dit geval in strijd zou zijn met het belastingverdrag Nederland-België en het EG-Verdrag.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de heffing van artikel 23a niet gerechtvaardigd is omdat deze belemmerend werkt voor de vrijheid van vestiging zoals beschermd door het EG-Verdrag en strijdig is met het belastingverdrag. De heffing betreft een bijzondere inkomstenbelasting die niet kan worden toegepast indien de belastingplichtige niet binnenlands belastingplichtig is.
De Hoge Raad wees het beroep van de Staatssecretaris af en veroordeelde hem in de proceskosten. Tevens werd vastgesteld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op volledige proceskostenvergoeding op grond van het gemeenschapsrecht, maar slechts op vergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Dit arrest bevestigt de bescherming van grensoverschrijdende vestiging tegen onrechtmatige dubbele belastingheffing en verduidelijkt de toepassing van artikel 23a Wet Vpb in samenhang met internationale verdragen.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de belastingvermeerdering op grond van artikel 23a Wet Vpb wordt niet toegepast bij zetelverplaatsing naar België.