ECLI:NL:HR:2004:AR4003

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40189
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 79, lid 1, letter b, Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep Staatssecretaris inzake afwaardering vordering en bewijslast

Belanghebbende was in beroep gekomen tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1994. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot nihil en de uitspraak van het hof was aangevochten door de Staatssecretaris van Financiën in cassatie.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat bepaalt dat afwaarderingen van vorderingen op deelnemingen onder bepaalde omstandigheden tot de winst worden gerekend. De Hoge Raad bevestigde dat het aan de inspecteur is om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat deze bepaling moet worden toegepast. Het hof had geoordeeld dat de inspecteur dit onvoldoende had gedaan.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was en dat het middel van de Staatssecretaris faalde. Ook het betoog dat het hof had miskend dat de deelneming aanspraak kon maken op een Engelse belastingvrijstelling faalde. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het geding.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en bevestigt de uitspraak van het hof.

Uitspraak

Nr. 40.189
15 oktober 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 september 2003, nr. 01/01082, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 20.750, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. De uitspraak van dit hof van 28 februari 2000 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 18 april 2001, nr. 36048, BNB 2001/345, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
4. Beoordeling van het middel
Artikel 13b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1994; hierna: de Wet), houdt in dat voorzover een vordering op een lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, is afgewaardeerd ten laste van de in Nederland belastbare winst van de belastingplichtige, in bepaalde omstandigheden een bedrag gelijk aan die afwaardering wordt gerekend tot de winst van de belastingplichtige. Artikel 13b, lid 4, van de Wet houdt in dat indien een dergelijke vordering wordt prijsgegeven, het eerste lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing is voorzover dit prijsgeven bij het lichaam waarin wordt deelgenomen niet heeft geleid tot belastbare winst. Het is aan de inspecteur om, als hij zich op die bepaling beroept, feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, waaruit volgt dat die bepaling moet worden toegepast. Voorzover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het derhalve.
In 's Hofs oordelen ligt het oordeel besloten dat de door de Inspecteur voor het Hof aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat het prijsgeven door belanghebbende van haar vordering op H Limited (hierna: H), ten aanzien van H niet heeft geleid tot bij haar niet belastbare winst. Dat oordeel is, anders dan het middel betoogt, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat het middel ook op dat punt niet tot cassatie kan leiden.
Gelet op het bepaalde in artikel 79, lid 1, letter b, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan het middel evenmin tot cassatie leiden voorzover het betoogt dat het Hof heeft miskend dat H ten aanzien van de kwijtscheldingswinst aanspraak kon maken op een in de Engelse belastingwetgeving opgenomen vrijstelling.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2004.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.