ECLI:NL:PHR:2011:BU3798
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op dooruitdelingskorting bij Britse dividendbelasting en tax credit
In deze zaak stond centraal of de Nederlandse fiscale eenheidsdochter recht had op toepassing van de dooruitdelingskorting van artikel 11 van Pro de Wet op de dividendbelasting 1965, met betrekking tot dividenden ontvangen van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochtervennootschap. De kernvraag was of in het VK een bronbelasting van ten minste 5% was ingehouden op de winstuitkeringen, waarbij de rol van de Britse tax credit en de income tax centraal stond.
De Rechtbank Haarlem oordeelde dat de income tax, ondanks verrekening met de tax credit, als ingehouden bronbelasting moet worden beschouwd en dat de tax credit een teruggaaf is van winstbelasting aan de aandeelhouder, geen vermindering van de bronbelasting. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat per saldo geen bronbelasting was ingehouden en dat de tax credit een korting op de income tax vormde, waardoor niet aan de 5%-eis werd voldaan.
De Advocaat-Generaal stelde dat de uitleg van buitenlands belastingrecht door de Rechtbank slechts marginaal kan worden getoetst en dat de Staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd had waarom de tax credit anders moest worden gekwalificeerd. De A-G concludeerde dat het beroep van de Staatssecretaris ongegrond moest worden verklaard. De Hoge Raad volgde deze conclusie en bevestigde het recht op dooruitdelingskorting, waarbij de Britse income tax inclusief tax credit als bronbelasting wordt erkend.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het recht op dooruitdelingskorting wordt bevestigd.