ECLI:NL:HR:2004:AR2719
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Herleven van WIR-premie na verliescompensatie in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een onderneming in kinderartikelen, had in 1997 een positieve belastbare winst en ontving investeringsbijdragen op grond van de Wet investeringsrekening (WIR). In 2000 leed zij een verlies van ƒ 321.258, waarvan ƒ 25.564 werd verrekend met de winst van 1997. De Inspecteur stelde vast dat deze verrekening geen wijziging bracht in de eerder verrekende investeringsbijdragen over 1997.
Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het standpunt van de Inspecteur bevestigd dat de verliesverrekening niet leidt tot een teruggaaf van belasting over 1997. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 23b lid 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in verbinding met eerdere wetgeving, de verrekening van het verlies van 2000 met de winst van 1997 niet leidt tot een negatieve belasting en dat de aanslag over 1997 tot nihil moet worden verminderd, zonder dat sprake is van teruggave.
Gelet op deze wettelijke bepalingen en de feiten achtte de Hoge Raad de beslissing van het Hof juist en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd dat verliesverrekening niet leidt tot teruggaaf van belasting en herleving van de WIR-premie.