ECLI:NL:HR:2004:AR2319

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40120
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de vennootschapsbelasting 1969Wet inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing goed koopmansgebruik bij transitoria in vennootschapsbelasting

Belanghebbende, een onderneming die diensten verleent aan taxichauffeurs via een mobilofooncentrale, kreeg voor het jaar 1996 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar door de Inspecteur, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag tot nihil.

De kern van het geschil betrof de vraag of de verhoogde maandelijkse bijdragen van taxivergunninghouders, bedoeld voor de financiering van een nieuwe mobilofooncentrale, moesten worden meegenomen als winst in 1996. Het Hof oordeelde dat deze bijdragen onder goed koopmansgebruik als transitoria niet tot de winst behoefden te worden gerekend, omdat de bijdragen terugbetaald moesten worden indien de centrale niet gerealiseerd werd.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde het oordeel van het Hof. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is het standpunt van het Hof dat de bijdragen niet als winst in 1996 moesten worden beschouwd, definitief bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 40.120
17 september 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 juli 2003, nr. 01/01434, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 552.182, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.2. Belanghebbende verricht diensten (het exploiteren van een mobilofooncentrale) ten behoeve van bij haar aangesloten taxichauffeurs. In dat kader is met elke houder van een taxivergunning een overeenkomst gesloten. Voor de verrichte diensten wordt door de taxivergunninghouders een maandelijkse bijdrage betaald.
3.1.3. In verband met de financiering van een nieuw aan te schaffen mobilofooncentrale is in 1993 (door de rechtsvoorgangster van belanghebbende, een coöperatieve vereniging) een spaarplan ingevoerd met het oog op het voornemen in een nieuwe centrale te investeren. De maandelijkse bijdragen per vergunninghouder werden daarvoor met een bedrag van ƒ 180 verhoogd.
3.1.4. Bepaald werd tevens dat bij niet investeren het bedrag aan de desbetreffende bedrijfsvergunninghouders zal moeten worden terugbetaald.
3.1.5. In 1995 is een overeenkomst gesloten inzake de levering van een nieuwe telefoon- en mobilofooncentrale. Die overeenkomst is ontbonden. In 1999 zijn nieuwe onderhandelingen gevoerd. In 1996 is geen nieuwe centrale opgeleverd of in gebruik genomen.
3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat tegenover de maandelijkse bijdragen van ƒ 180 door belanghebbende in de toekomst jegens de betalers te verrichten prestaties staan en dat in het geval de centrale niet tot stand zou komen de bijdragen moeten worden terugbetaald. Het Hof heeft hiervan uitgaande terecht geoordeeld dat goed koopmansgebruik meebrengt dat belanghebbende de maandelijkse bijdragen niet tot de jaarwinst van het onderhavige jaar behoefde te rekenen. Het middel stuit hierop in zijn geheel af.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 40121 en 40122 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op eenderde van € 644, derhalve € 214,67, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2004.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.