ECLI:NL:HR:2004:AN8082
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechterlijke machtiging voortgezet verblijf in zwakzinnigeninrichting volgens Wet Bopz
Verzoeker was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en werd overgeplaatst naar een zwakzinnigeninrichting, waar hij zich tegen verder verblijf verzette. De officier van justitie vorderde een machtiging tot voortgezet verblijf, terwijl volgens de Wet Bopz in geval van verzet een voorlopige machtiging vereist is. De rechtbank verleende een machtiging tot voortgezet verblijf voor drie maanden en wees het verweer van verzoeker af.
In cassatie stelde verzoeker dat zonder eerdere machtiging tot verblijf in een zwakzinnigeninrichting geen machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend, maar de Hoge Raad oordeelde dat het formele verschil tussen voorlopige machtiging en machtiging tot voortgezet verblijf in dit geval niet tot vernietiging leidt. De rechtbank had vastgesteld dat aan de criteria voor verlening van een machtiging was voldaan.
De Hoge Raad verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk omdat de geldigheidsduur van de machtiging inmiddels was verstreken en verzoeker daardoor geen belang meer had bij het beroep. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de Wet Bopz bij voortgezet verblijf in zwakzinnigeninrichtingen en bevestigt de beoordelingsruimte van de rechtbank bij de vorm van machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen de machtiging tot voortgezet verblijf in een zwakzinnigeninrichting.