ECLI:NL:HR:2004:AF7514
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en evenredigheid van rioolafvoerrechtheffing door gemeente Eindhoven
Belanghebbende, gebruiker van vijf op de gemeentelijke riolering aangesloten eigendommen, werd voor 1994 geconfronteerd met een gecombineerde aanslag voor het rioolafvoerrecht van in totaal ƒ 1.766.192. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de heffing onrechtmatig was, onder meer vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De gemeente Eindhoven hief in 1994 zowel een rioolaansluitrecht als een rioolafvoerrecht, waarbij het afvoerrecht alleen werd geheven bij grote lozers (ongeveer 0,9% van de belastingplichtigen) die meer dan 500 m3 afvalwater per jaar lozen. De gemeente rekende 22% van de totale rioleringskosten toe aan het afvoerrecht, gebaseerd op een rapport waarin werd gesteld dat grote lozers 21,7% van de kosten veroorzaken.
Belanghebbende voerde aan dat deze kostenberekening onjuist was omdat geen rekening werd gehouden met de overheersende invloed van regenwater op de dimensionering van het riool. Het Hof oordeelde echter dat het afvalwater van grote lozers over de gehele lengte van het stelsel wordt afgevoerd, terwijl hemelwater deels via overstorten wordt geloosd, en dat de gemeente redelijk heeft gehandeld.
De Hoge Raad bevestigt dat het tarief per volle eenheid waterverbruik niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat de kostentoerekening aan grote lozers niet disproportioneel is. De bezwaren tegen de motivering en onderbouwing van het Hof worden verworpen. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie tegen de heffing van het rioolafvoerrecht door de gemeente Eindhoven wordt ongegrond verklaard.