ECLI:NL:HR:2003:AO0658
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- J.C. van Oven
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek van afschrijving op mestquotum in inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 24.050. Na bezwaar en een uitspraak van de Inspecteur die de aanslag handhaafde, kwam belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof Arnhem. Dit hof verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of afschrijving op een mestquotum aftrekbaar is als kosten in de inkomstenbelasting. Belanghebbende stelde dat artikel 35, lid 2, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) niet aan afschrijving op rechten die geen inkomensbron vormen in de weg staat. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip "afschrijvingen op zaken" in de wet uitsluitend ziet op civielrechtelijke zaken, dat wil zeggen stoffelijke objecten die vatbaar zijn voor menselijke beheersing. Een mestquotum valt hier niet onder, waardoor afschrijving daarop niet aftrekbaar is.
Verder wees de Hoge Raad het betoog af dat afschrijving op het mestquotum toch mogelijk zou zijn op grond van artikel 35, lid 1, van de Wet, omdat dit artikel het begrip "kosten" niet mede op afschrijvingen ziet. De wetsgeschiedenis bevestigt dat afschrijvingen tot aftrekbare kosten zijn beperkt tot afschrijvingen op zaken. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; afschrijving op mestquotum is niet aftrekbaar.