ECLI:NL:HR:2003:AN7742
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.C. van Oven
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Betaling aan onderwijsvereniging niet aan te merken als gift voor belastingaftrek
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 80.902. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende had in dat jaar twee kinderen die onderwijs volgden op een vrije school en had op verzoek van die school een bedrag betaald aan een vereniging die subsidies verstrekte aan vrije scholen.
Het geschil betrof de vraag of deze betaling kon worden aangemerkt als een gift in de zin van artikel 47, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof oordeelde dat de betaling niet als een gift kon worden beschouwd, omdat deze betaling gelijkgesteld moest worden met een betaling waarvoor een op geld waardeerbare aanspraak werd verkregen.
De Hoge Raad overwoog dat tussen partijen niet in geschil was dat de betaling geen op geld waardeerbare aanspraak voor belanghebbende opleverde, maar dat de inspecteur dit standpunt niet had verlaten. Ook stelde de Hoge Raad dat sinds de wetswijziging van artikel 47, lid 4, per 1 januari 1990, het niet meer relevant is of een bijdrage verplicht of vrijwillig is, noch of de begiftigde een prestatie kan ontlenen aan de betaling.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee werd bevestigd dat de betaling niet als gift voor belastingaftrek kan worden aangemerkt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de betaling wordt niet als gift voor belastingaftrek erkend.