ECLI:NL:HR:2005:AT3947

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38180
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 lid 4 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrekbaarheid gift aan harmonie-orkest niet toegestaan

Belanghebbende, die in 1996 lid was van een plaatselijk harmonie-orkest, betaalde meerdere bedragen aan de stichting die het orkest in stand hield. De Inspecteur legde een aanslag op die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat sinds de wetswijziging van artikel 47 lid 4 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 per 1 januari 1990, het niet meer relevant is of een betaling verplicht is of niet, noch of de begiftigde de betaling als een prestatie mag beschouwen.

Het Hof had geoordeeld dat de harmonie een algemeen nut beogende instelling is, maar dat de betalingen van belanghebbende niet als contributie of morele verplichting konden worden aangemerkt, doch als bevoordelingen uit vrijgevigheid zonder op geld waardeerbare aanspraken. De Hoge Raad bevestigde dat tegenover de betalingen een tegenprestatie stond die als een op geld waardeerbare aanspraak moet worden aangemerkt, waardoor geen sprake is van een aftrekbare gift.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de betalingen geen aftrekbare gift vormen vanwege de tegenprestatie.

Uitspraak

Nr. 38.180
15 april 2005
Za
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 april 2002, nr. 98/03507, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 70.809, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 70.164. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende bespeelde in het onderhavige jaar in zijn vrije tijd een instrument in een plaatselijk harmonie-orkest (hierna: de harmonie). In dat jaar betaalde belanghebbende aan de stichting die de harmonie in stand hield, zes maal een bedrag van ƒ 32,50, in totaal derhalve ƒ 195.
3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden -geoordeeld dat de harmonie kan gelden als een het algemeen nut beogende instelling.
3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat niet is gebleken dat sprake is van de betaling van een contributie noch van nakoming van een verplichting van moraal en fatsoen, maar dat sprake is van bevoordelingen uit vrijgevigheid, aan welke bevoordelingen door belanghebbende geen op geld waardeerbare aanspraken worden ontleend.
3.4. Het middel acht onjuist 's Hofs oordeel dat geen sprake is van nakoming van een verplichting van moraal en fatsoen. Dit
betoog faalt bij gebrek aan belang. Voor het antwoord op de vraag of een betaling is aan te merken als een gift is - sinds de wijziging van artikel 47, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), per 1 januari 1990 - niet meer van belang of sprake is van een niet-verplichte dan wel van een verplichte bijdrage, terwijl daarvoor evenmin van belang is of de begiftigde de betaling mag beschouwen als de voldoening van een haar toekomende prestatie (HR 7 november 2003, nr. 38242, BNB 2004/31). Ook de klacht dat het Hof de bewijslast op dit punt onjuist zou hebben verdeeld faalt derhalve bij gebrek aan belang.
3.5. Voorts acht het middel duidelijk dat voor belanghebbende tegenover zijn betalingen een tegenprestatie staat, die naar de bewoordingen en de strekking van artikel 47 van Pro de Wet als een op geld waardeerbare aanspraak moet worden bestempeld. 's Hofs andersluidende oordeel geeft evenwel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en kan voor het overige als van feitelijke aard en - ook in het licht van hetgeen het Hof in 4.3 van zijn uitspraak heeft overwogen omtrent de activiteiten van de harmonie - niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Ook in zoverre kan het middel derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2005.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.