ECLI:NL:HR:2003:AK8314

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38484
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek rente op bijgeschreven bankschuld in inkomstenbelasting 1997

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.021. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Het geschil betrof de vraag of de door de bank bijgeschreven rente op een schuld ten laste van de winst mocht worden gebracht.

Het Hof stelde vast dat de rente vanaf 1996 vrijwel zeker niet door belanghebbende zou worden voldaan, waardoor de geldswaarde van die rente op nihil moest worden gesteld. Daarom werd de verhoging van de bankschuld en het ten laste brengen van de rente in de jaarstukken terecht niet geaccepteerd.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk was en dat de middelen tot cassatie niet tot een ander oordeel konden leiden. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de rente op de bijgeschreven bankschuld mag niet ten laste van de winst worden gebracht.

Uitspraak

Nr. 38.484
12 september 2003
AF
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 19 juli 2002, nr. BK 312/01, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.021, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In de onderhavige procedure is de vraag aan de orde of belanghebbende, die een schuld aan een bank heeft, de door de bank op die schuld bijgeschreven rente betreffende het jaar 1997 ten laste van de winst van dat jaar mag brengen.
3.2 Het Hof heeft in rov. 4.1 op grond van de in de rov. 2.2 tot en met 2.8, 2.10 en 2.11 van zijn uitspraak vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, aannemelijk geacht dat de vanaf 1996 door de bank bijgeschreven rente zo goed als zeker nimmer (ten dele) zal worden voldaan door belanghebbende, met als gevolg dat de geldswaarde van die bijgeschreven rente op nihil gesteld moet worden. Het Hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat de door belanghebbende in de jaarstukken van het onderhavige jaar aangebrachte verhoging op de balans van de bankschuld met ?. 37.368 en het brengen van dat rentebedrag ten laste van het resultaat terecht niet is geaccepteerd.
3.3 Onderdeel 2.2 van middel 2, dat dit oordeel bestrijdt, faalt. In voormelde rov. 4.1 ligt kennelijk besloten dat de verhoging van de schuldpositie op de balans per 31-12-1997 ten opzichte van die op de balans per 31-12-1996 niet reëel was, omdat moest worden aangenomen dat de crediteur (de bank) dat bijgeboekte bedrag niet zou invorderen (vgl. HR 18 oktober 2002, nr. 37413, BNB 2003/44).
3.4 De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2003.