ECLI:NL:HR:2003:AI0857

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/086HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 144 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak over toelating pleidooi in hoger beroep

Eiseres vorderde bij de kantonrechter dat zij terecht was ingedeeld in een hogere functie bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). De kantonrechter wees de vordering toe, maar in hoger beroep werd het vonnis vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Eiseres verzocht in hoger beroep om pleidooi, maar dit verzoek werd door de rolrechter afgewezen met het argument dat het verzoek niet strookte met de goede procesorde en dat een mondelinge toelichting geen nieuwe gezichtspunten zou opleveren.

De Hoge Raad stelde vast dat partijen op grond van art. 144 Rv Pro in beginsel het recht hebben om hun standpunten in hoger beroep mondeling toe te lichten en dat een verzoek om pleidooi slechts in zeer uitzonderlijke gevallen geweigerd mag worden. Omdat COA geen bezwaar had gemaakt tegen het verzoek van eiseres en de rolrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzoek strijdig zou zijn met de goede procesorde, oordeelde de Hoge Raad dat het verzoek ten onrechte was afgewezen.

De Hoge Raad vernietigde daarom de vonnissen van de rechtbank en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling waarbij partijen tot pleidooi moeten worden toegelaten. De beslissing omtrent de proceskosten in cassatie werd gereserveerd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug met de verplichting tot toelating van pleidooi in hoger beroep.

Uitspraak

3 oktober 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/086HR
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.F. Baltussen,
t e g e n
HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Rijswijk,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 22 juli 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: COA - gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd voor recht te verklaren dat [eiseres] ten onrechte niet is ingedeeld in de door haar voorgestane functie van Opvangmedewerker B, schaal 6.
COA heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 7 juni 2000 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft COA hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage.
In hoger beroep is namens [eiseres] pleidooi verzocht. Bij brief van 19 juli 2001 heeft de raadsvrouwe van [eiseres] dit verzoek nader gemotiveerd.
Bij beslissing van 7 augustus 2001 heeft de rolrechter het verzoek om pleidooi afgewezen, een datum voor het wijzen van een vonnis bepaald en voorts bepaald, dat tegen deze uitspraak eerst nadat eindvonnis in deze procedure is gewezen beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Bij eindvonnis van 19 december 2001 heeft de rechtbank het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw beslissende, de vordering van [eiseres] alsnog afgewezen.
Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen het niet verschenen COA is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de advocaat-generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en verwijzing van de zaak.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie is uitsluitend aan de orde de vraag of de rechtbank [eiseres] tot pleidooi had moeten toelaten. Namens [eiseres] is in hoger beroep om pleidooi verzocht. Bij beslissing van 7 augustus 2001 is dit verzoek afgewezen omdat het pleidooiverzoek naar het oordeel van de rolrechter niet strookte met de goede procesorde. Daartoe heeft de rolrechter overwogen enerzijds dat niet valt te verwachten dat een mondelinge toelichting bij gelegenheid van het pleidooi nieuwe gezichtspunten zal opleveren en anderzijds dat de inleidende dagvaarding dateert van 22 juli 1999.
3.2 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat partijen op grond van het bepaalde in art. 144 (oud) Rv. ook in hoger beroep in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden geweigerd. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde (zie HR 15 november 2002, nr. C02/052, RvdW 2002, 185). In elk van beide hiervoor bedoelde gevallen zal de rechter zijn redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren (zie HR 5 oktober 2001, nr. C00/248, NJ 2002, 514).
3.3 Nu van de zijde van COA tegen het verzoek van [eiseres] om pleidooi in het geheel geen bezwaar is gemaakt en ook hetgeen de rolrechter in zijn beslissing van 7 augustus 2001 heeft overwogen ter zake van dat verzoek niet de conclusie kan dragen dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde, is het middel terecht voorgesteld. Het hof waarnaar de zaak wordt verwezen zal partijen tot pleidooi moeten toelaten.
3.4 Nu COA de bestreden beslissingen van de rolrechter c.q. de rechtbank niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de vonnissen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 7 augustus 2001 en 19 december 2001;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiseres] op € 388,75 aan verschotten en € 500,-- voor salaris, en aan de zijde van COA op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 oktober 2003.