ECLI:NL:HR:2003:AF7313
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep tegen uitleveringsuitspraak inzake bewijsrechtmatigheid en overdracht voorwerpen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 december 2002, waarin het uitleveringsverzoek van de Republiek Italië werd toegestaan voor een persoon geboren in Albanië in 1974. De opgeëiste persoon voerde onder meer aan dat het bewijs, verkregen door afluisteren van telefoongesprekken in Nederland, onrechtmatig was en dat daardoor uitlevering ontoelaatbaar zou zijn. Ook werd betoogd dat de overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen niet toelaatbaar was.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse uitleveringsrechter niet gehouden is de rechtmatigheid van in de verzoekende staat of in Nederland verkregen bewijs te toetsen, tenzij er ernstige aanwijzingen zijn dat het EVRM op grove wijze wordt geschonden. Dit was niet het geval. Ook wees de rechtbank het verzoek tot aanhouding van de zaak af. Verder werd geoordeeld dat de inbeslaggenomen voorwerpen als stukken van overtuiging konden dienen en dat deze aan Italië konden worden overgedragen zonder terugzendingsvoorwaarde.
De Hoge Raad bevestigt deze overwegingen en wijst het beroep af. De Hoge Raad benadrukt het uitgangspunt van vertrouwen in de naleving van het EVRM door de verzoekende staat en onderstreept dat de uitleveringsrechter niet belast is met een diepgaande toetsing van bewijsrechtmatigheid. Ook is de motivering van de rechtbank over de overdracht van de voorwerpen toereikend. Daarmee blijft de uitleveringsuitspraak in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Italië wordt toegestaan inclusief overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen.