ECLI:NL:HR:2003:AF3818
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang na teruggave inbeslaggenomen videobanden
Klaagster heeft bij de Rechtbank te Almelo een beklag ingediend op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen de inbeslagneming van 229 videobanden. De rechtbank heeft dit beklag ongegrond verklaard. Vervolgens stelde klaagster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad constateert dat de videobanden inmiddels aan klaagster zijn teruggegeven, zoals blijkt uit de ontvangstbewijzen. Hierdoor ontbreekt het belang van klaagster bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank, waardoor zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Hoewel klaagster ook verzocht heeft om de inbeslagneming onrechtmatig te verklaren en het gebruik van het beeldmateriaal te verbieden, voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in een mogelijkheid om na teruggave in rechte vast te stellen dat de inbeslagneming of het gebruik onrechtmatig was. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar eerdere jurisprudentie (HR 9 januari 1990, NJ 1990, 369).
De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep van klaagster niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de beschikking van de Rechtbank te Almelo.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na teruggave van de videobanden.