ECLI:NL:HR:2003:AF3818

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01165/02 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang na teruggave inbeslaggenomen videobanden

Klaagster heeft bij de Rechtbank te Almelo een beklag ingediend op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen de inbeslagneming van 229 videobanden. De rechtbank heeft dit beklag ongegrond verklaard. Vervolgens stelde klaagster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad constateert dat de videobanden inmiddels aan klaagster zijn teruggegeven, zoals blijkt uit de ontvangstbewijzen. Hierdoor ontbreekt het belang van klaagster bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank, waardoor zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Hoewel klaagster ook verzocht heeft om de inbeslagneming onrechtmatig te verklaren en het gebruik van het beeldmateriaal te verbieden, voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in een mogelijkheid om na teruggave in rechte vast te stellen dat de inbeslagneming of het gebruik onrechtmatig was. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar eerdere jurisprudentie (HR 9 januari 1990, NJ 1990, 369).

De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep van klaagster niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de beschikking van de Rechtbank te Almelo.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na teruggave van de videobanden.

Uitspraak

15 april 2003
Strafkamer
nr. 01165/02 B
EW/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Almelo van 23 april 2002, nummer 08/000081-02, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klaagster], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft het door klaagster ingediende beklag ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift houdende beklag over de inbeslagneming van 229 videobanden, is door de Rechtbank ongegrond verklaard.
3.2. Bij de stukken bevinden zich ontvangstbewijzen waaruit blijkt dat de inbeslaggenomen videobanden inmiddels aan klaagster zijn teruggegeven. Dat betekent dat klaagster geen belang meer heeft bij haar beroep tegen de beschikking van de Rechtbank, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.3. De omstandigheid dat het klaagschrift behalve een verzoek tot teruggave van de inbeslaggenomen videobanden, tevens een verzoek bevat om de inbeslagneming onrechtmatig te verklaren en te gelasten dat het inbeslaggenomen beeldmateriaal niet wordt gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien noch art. 552a noch enige andere bepaling in het Wetboek van Strafvordering voorziet in de mogelijkheid na de teruggave in rechte te doen vaststellen dat de inbeslagneming dan wel het gebruik van het inbeslaggenomene onrechtmatig was (vgl. HR 9 januari 1990, NJ 1990, 369).
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2003.