ECLI:NL:HR:2003:AF3418
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek lijfrentekoopsom bij overdracht onderneming aan BV en derde
Belanghebbende, die samen met zijn echtgenote een onderneming dreef, bracht deze onderneming in een BV in, die de onderneming vervolgens aan een derde verkocht. Hierbij bedong belanghebbende een lijfrente bij de BV. Het geschil betrof de vraag of de voor deze lijfrente berekende koopsom in 1996 als persoonlijke verplichting op het onzuivere inkomen in mindering kon worden gebracht volgens artikel 45, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Gerechtshof Leeuwarden bevestigde de aanslag en oordeelde dat de lijfrente niet als tegenprestatie voor de overdracht aan de BV kon worden aangemerkt, omdat de overdracht aan de BV onmiddellijk gevolgd werd door een vooraf overeengekomen overdracht aan een derde, hetgeen niet onder de bedoelde wetsbepaling valt.
Belanghebbende stelde dat hij zich al voor het voornemen tot overdracht aan een derde had verbonden tot oprichting van de BV en overdracht van de onderneming, maar het Hof achtte dit niet aannemelijk. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof.