ECLI:NL:HR:2002:AF0633
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Beoordeling staking onderneming en vorming vervangingsreserve bij verkoop bedrijfspand
Belanghebbende exploiteerde een autoslopersbedrijf in een pand aan de a-straat te Z. Vanaf 1994 werd het pand tijdelijk verhuurd vanwege gezondheidsredenen, waarbij belanghebbende aangaf de onderneming te willen hervatten zodra zijn gezondheid dit toeliet. In de jaren 1994 tot en met 1997 bestond de winst uit onderneming uitsluitend uit huuropbrengsten. In 1996 kocht belanghebbende een ander pand dat tot zijn privévermogen werd gerekend. Op 15 mei 1998 verkocht hij het pand aan de a-straat en een groot deel van de inventaris aan de huurder.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende zijn onderneming met ingang van 1994 feitelijk had gestaakt en dat de verkoop in 1998 de formele staking van de onderneming betekende. De latere activiteiten op een ander terrein, waar autosloop niet was toegestaan en het om een andere soort auto's ging, werden niet als voortzetting van de onderneming aangemerkt. Hierdoor kon geen vervangingsreserve worden gevormd over de boekwinst bij verkoop van het pand.
De Hoge Raad verwierp de klachten tegen het oordeel van het Hof. Het oordeel dat de onderneming in 1998 werd gestaakt is niet onbegrijpelijk en niet onjuist. De vermeende innerlijke tegenstrijdigheid in het oordeel van het Hof over het tijdstip van staking werd uitgelegd als een tijdelijke stillegging vanaf 1994. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat de onderneming in 1998 is gestaakt blijft gehandhaafd.