ECLI:NL:HR:2002:AE9260

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/069HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vorderingen en vernietiging concurrentiebeding niet toewijsbaar

Epenhuysen Chemie N.V. heeft bij de Kantonrechter te Rotterdam een vordering ingesteld tegen [verweerder] tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag, met wettelijke rente, en daarnaast werd in voorwaardelijke reconventie het concurrentiebeding door [verweerder] aangevochten.

De Kantonrechter wees de vorderingen van Epenhuysen af en stelde dat de vordering in voorwaardelijke reconventie niet meer aan de orde was. Epenhuysen stelde hiertegen hoger beroep in bij de Rechtbank Rotterdam, die het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigde. Epenhuysen stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het cassatieberoep werd verworpen en Epenhuysen werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere afwijzing van de vorderingen en laat het concurrentiebeding in stand, waarmee de rechtspositie van [verweerder] wordt bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Epenhuysen wordt verworpen en haar vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

25 oktober 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/069HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
EPENHUYSEN CHEMIE N.V., gevestigd te Zwijndrecht,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Epenhuysen - heeft bij exploit van 24 maart 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Rotterdam en na wijziging en vermeerdering van eis gevorderd bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan Epenhuysen te voldoen primair een bedrag ƒ 1.881.676,--, subsidiair ƒ 1.777.676,--, meer subsidiair ƒ 1.739.676,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 1997 voor zover betrekking hebbende op een bedrag van ƒ 840.838,-- en voor wat betreft het restant van de primaire vordering vanaf 18 mei 1998 en voor wat betreft de restanten van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen vanaf 24 maart 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden en zijnerzijds in voorwaardelijke reconventie gevorderd bij vonnis het concurrentiebeding geheel althans gedeeltelijk te vernietigen met terugwerkende kracht tot 1 oktober 1995, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Epenhuysen heeft de vordering in voorwaardelijke reconventie bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 25 mei 1999 in conventie de vorderingen afgewezen en in voorwaardelijke reconventie verstaan dat de vordering thans niet meer aan de orde is.
Tegen dit vonnis heeft Epenhuysen hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam. [Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij vonnis van 26 oktober 2000 heeft de Rechtbank het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Epenhuysen beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Epenhuysen in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 oktober 2002.