ECLI:NL:HR:2002:AE8150

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37045
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • J.W. van den Berge
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt belastingaanslag en verwerpt vertrouwen in niet-belastbaarheid wettelijke rente

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 201.691. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende stelde dat hij op basis van een brief van de Inspecteur vertrouwen mocht hebben dat de wettelijke rente niet in zijn belastbare inkomen zou worden opgenomen. Het Hof verwierp deze stelling zonder nadere motivering.

In cassatie klaagde belanghebbende hierover, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden, omdat na vernietiging en verwijzing geen andere beslissing mogelijk is dan dat de stelling faalt. De inhoud van de brief van de Inspecteur laat immers geen vertrouwen toe dat de wettelijke rente niet belastbaar zou zijn.

De overige klachten van belanghebbende konden evenmin tot cassatie leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de aanslag en het oordeel van het Hof.

Uitspraak

Nr. 37.045
27 september 2002
cl
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 maart 2001, nr. 1394/98, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 201.691, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat hij aan de brief van de Inspecteur van 1 juli 1997 het vertrouwen mocht ontlenen dat de door hem genoten wettelijke rente niet in zijn belastbare inkomen zou worden begrepen. Het Hof heeft die stelling kennelijk verworpen, evenwel zonder zulks te motiveren.
De daartegen in cassatie gerichte klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, aangezien na vernietiging en verwijzing geen andere beslissing kan volgen dan dat voormelde stelling faalt. De stukken van het geding laten immers geen andere conclusie toe dan dat, tegen de achtergrond van de inhoud van de brief van belanghebbende waarop de brief van de Inspecteur het antwoord was, aan de bewoordingen van laatstbedoelde brief een vertrouwen als door belanghebbende gesteld onmogelijk kan worden ontleend. Voorts valt niet in te zien dat bij hem in de omstandigheden van het geval de indruk kan zijn ontstaan dat de Inspecteur vóór de aanslagregeling bewust een standpunt omtrent de (niet-) belastbaarheid van wettelijke rente had bepaald.
3.2. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 4 mei 1988, nr. 24695, BNB 1988/235).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, J.W. van den Berge, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2002.