ECLI:NL:HR:2002:AE7707
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert bedrag ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin een ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel was bevestigd. Betrokkene had valsheid in geschrift gepleegd bij het aanvragen van levensverzekeringen, waardoor hij verzekeringsuitkeringen ontving. Tevens speelde een vordering van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens ten onrechte ontvangen uitkeringen.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot vermindering van het te betalen bedrag. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het bedrag van ontneming betreft en vermindert het bedrag tot €70.000. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de vordering van de Sociale Dienst niet in mindering kan worden gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat deze niet gelijkgesteld kan worden aan een vordering van een benadeelde derde. De Hoge Raad bevestigt daarmee de motivering van het hof en wijst het middel dat dit betoogde af.
De Hoge Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Rotterdam en stelt het aangepaste bedrag vast. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken op 29 oktober 2002.
Uitkomst: Het te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot € 70.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.