ECLI:NL:HR:2002:AE6375
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt navorderingsaanslag en verhoging wegens onjuiste aangifte inkomstenbelasting
Belanghebbende heeft in 1993 werkzaamheden verricht in het economische verkeer waarbij hij een beloning ontving in aandelen tegen een prijs die lager was dan de economische waarde. Dit voordeel werd niet aangegeven, waardoor te weinig belasting werd geheven. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag met een verhoging van 100% op, waarvan 50% werd kwijtgescholden.
Belanghebbende maakte bezwaar, maar dit werd gehandhaafd. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag tot een bedrag aan enkelvoudige belasting met een verhoging van 100%, waarvan 50% werd kwijtgescholden. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat het voordeel als inkomsten uit arbeid moet worden aangemerkt en dat het opzettelijk niet aangeven daarvan een laakbaar handelen inhoudt dat rechtvaardigt dat de Inspecteur een navorderingsaanslag met verhoging oplegt. Het middel dat stelt dat de Inspecteur slechts één boete had mogen opleggen faalt, omdat het laakbare handelen van belanghebbende losstaat van dat van een eventuele inhoudingsplichtige vennootschap.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende wist dat hij het voordeel had moeten aangeven, niet onjuist is en dat het Hof voldoende gemotiveerd heeft. Ook is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag met verhoging wegens opzettelijk onjuiste aangifte.