Conclusie
dies a quo(het moment van de
criminal chargewaarop de termijn van berechting begint te lopen) dus kennelijk bij de bespreking van 16 september 1997. Uit de stukken van het geding valt echter niet op te maken dat de ambtenaren toen van een voornemen hebben doen blijken een boete te zullen (doen) opleggen. R.o. 4.10 van de Hofuitspraak suggereert dat het Hof het moment van de charge legt bij het telefoongesprek tussen de inspectie en belanghebbendes accountant [D] in november 1997. In r.o. 2.8 stelt het Hof echter vast dat op 16 december 1997 het voornemen tot het opleggen van navorderingsaanslagen door de controlerende ambtenaren met [E] (belanghebbendes adviseur) is besproken is.
1ingekomen beroepschrift in cassatie één middel voor, inhoudende verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, en/of schending van het recht, in het bijzonder van artikel 33 Wet Pro IB 1964. De belanghebbende heeft gelijktijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de Hofuitspraak inzake de navorderingsaanslag over 1992. Dit beroep is bij u bekend onder rolnummer 37.983.
2
dies a quoheeft gelegd. Hierover wordt in cassatie niet geklaagd, maar het is desgewenst mogelijk van ambtswege in te grijpen, nu het Hof van een onjuiste maatstaf uitgegaan lijkt te zijn, althans zonder motivering - die ontbreekt - niet begrijpelijk is waarom het Hof het moment van de
criminal chargeex art. 6 EVRM Pro drie maanden eerder legt dan het moment waarop het zelf vaststelt dat het boetevoornemen ter zake van het jaar 1995 is geuit. Weliswaar heeft kennelijk eerder (18 november) een telefoongesprek met accountant [D] plaatsgehad waarin beboeting ter sprake is gekomen, maar uit de stukken - inclusief die van het dossier met nr 37.983 - maak ik slechts op dat die aankondiging zag op het jaar 1992. Hoe dan ook kan een telefoongesprek in november niet verklaren dat de
chargein september daaraan voorafgaand gesitueerd wordt.
criminal chargetot de uitspraak op bezwaar is dus niet onredelijk langzaam verlopen.
3
4en 's Hofs wens om de zaak gelijktijdig te behandelen met de zaak over het jaar 1992. De uitspraak van het Hof volgde voorts pas een ruim jaar na die tweede mondelinge behandeling. Art. 8:66 Awb Pro (schriftelijke uitspraak
5binnen zes weken of, in bijzondere omstandigheden, 12 weken), trad voor het belastingprocesrecht pas in werking op 1 september 1999 en gold dus nog niet voor de thans te berechten zaak
6, maar ook indien wij een half jaar na de laatste proceshandeling als maximaal redelijk aanmerken voor oude gevallen, is een redelijke termijn voor uitspraak in casu overschreden. Van de vrijwel exact drie jaar die de beroepsprocedure nam, kunnen hoogstens enige maanden aan de belanghebbende worden toegerekend op grond van de door hem genomen tijd voor het indienen van beroep en diens verzoek om uitstel van de oorspronkelijk eind augustus 2000 geplande tweede mondelinge behandeling in verband met vakantie van de gemachtigde.
cassatierechteris er dus geenszins reden om - van ambtswege - in te grijpen in het feitelijke oordeel dat de redelijke termijn reeds in de beroepsfase overschreden werd. Weliswaar lijkt het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd te hebben voor de bepaling voor de
dies a quo, maar het gaat slechts om een verschil van drie maanden (op bijna vier jaar) en ook daarover wordt in cassatie niet geklaagd.
feitenrechter(voor de periode na de hofuitspraak) bestaat er mijns inziens aanleiding om te oordelen dat in casu de redelijke termijn overschreden wordt. Naar het zich laat aanzien, zal de cassatieprocedure circa 2,5 jaar duren. Daarvan is hoogstens 1,5 maand toerekenbaar aan de belanghebbende (de termijn tussen de verzuimbrief van de griffie van de Hoge Raad en de indiening van de cassatiemiddelen). De lange duur van de cassatiefase is mede veroorzaakt door trage doorzending van het dossier (2,5 maanden), trage uitnodiging tot motivering (4,5 maanden), heen-en-weer sturen van de zaak tussen kamer en parket (conclusie op verzoek), doordat ik hem voor conclusie gecombineerd heb met een aantal andere zaken over de redelijke termijn waarin u eveneens om conclusie verzocht heeft en doordat ik minder voortvarend geconcludeerd heb dan wenselijk in deze combinatie van boetezaken. Indien men de regels van uw strafkamer zoals weergegeven in de bijlage analogisch toepast op onze zaak, zou zulks tot een matiging van de boete met 10% leiden.
Algemene uitgangspunten
Jurisprudentie van het EHRM over de redelijke termijn
Nederlandse strafrechtspraak
Nederlandse belastingrechtspraak
Wet Mulder-rechtspraak
Nederlandse bestuursrechtelijke rechtspraak, met name in de sociale zekerheid
Nederlandse burgerlijke rechtspraak
Vertraging door prejudiciële verwijzing naar het HvJ EG
Synthese; suggesties voor vuistregels in belastingboetezaken
European Convention on Human Rights and Fundamental Freedomsvan de Raad van Europa (EVRM) schrijft onder meer voor dat "everyone" recht heeft op een "fair and public hearing within a reasonable time" als het gaat om - onder meer - "the determination of any criminal charge against him." Art. 14, lid 3, onderdeel c, van het
International Covenant on Civil and Political Rightsvan de Verenigde naties (IVBPR) bepaalt dat "everyone" recht heeft "to be tried without undue delay" als het gaat om "the determination of any criminal charge against him." Beide door Nederland geratificeerde verdragen[1] hebben voor wat betreft deze bepalingen op grond van art. 93 en Pro 94 van de Grondwet rechtstreekse werking met voorrang binnen de Nederlandse rechtsorde.
criminal chargein de zin van de genoemde bepalingen is mede te verstaan (de aankondiging van) de oplegging van punitieve bestuurlijke boeten, zoals de fiscale boeten; dit geldt voor zowel vergrijpboeten (met omschreven schuldverband) als verzuimboeten (abstraherend van het verwijtbaarheidsverband).[2] Voor zover daar nog over getwijfeld kon worden, overwoog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak
Västberga Taxi[3] over de Zweedse fiscaal-administratieve boeten als volgt:
Wemhoff, Series A, no. 7, par. 18; zie bijvoorbeeld ook HR 23 september 1980 (strafkamer), NJ 1981, 116).
criminal charge. Voor belastingboetezaken is dat het moment waarop vanwege de belastingadministratie jegens de belastingplichtige een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat de inspecteur een verhoging zal opleggen (onder meer HR (belastingkamer) 23 juni 1993, BNB 1993/271, met noot Wattel, en HR 27 juni 2001 (belastingkamer), BNB 2002/27, met conclusie Wattel en noot Feteris). De aankondiging van een boete (bijvoorbeeld in een aan de belanghebbende toegezonden controlerapport van de fiscus of in een mededeling ex art. 67k AWR) en de mededeling van de gronden waarop het boetevoornemen berust (zie art. 67k AWR) kunnen in elk geval worden aangemerkt als
charge.
Kadri), FED 2002/215, in tegenspraak met zijn eerdere jurisprudentie het begin van de termijn in een belastingboetezaak bepaalde op het moment waarop de belanghebbende een bezwaarschrift tegen de boete indiende. U heeft in dat arrest geen aanleiding gezien terug te komen op uw eerdere rechtspraak (zie bijvoorbeeld uw latere arresten van 15 november 2000, nr. 35 536, BNB 2001/253, met noot Aardema, en van 12 juli 2002, nr. 36 723, BNB 2002/316, met noot Feteris). Kennelijk terecht niet, want in zijn arrest van 23 juli 2002, nr. 36985/97 (
Västberga Taxi Aktiebolagen
Vulic v. Sweden), BNB 2003/2, met noot Feteris, bepaalde het EHRM het moment van de
criminal chargein een belastingboetezaak weer op het tijdstip waarop de (Zweedse) belastingdienst de klagers het voornemen tot het opleggen van de bestuurlijke boeten bekend maakte.
mensenrechten gaat, gelden sommige zijner bepalingen ook voor rechtspersonen. Zelfs art. 8 EVRM Pro (bescherming van de persoonlijke levenssfeer) is door het Straatsburgse Hof toepasselijk geacht op rechtspersonen; in het kader van een mededingingsonderzoek in de bedrijfsruimten (
siège social,
agenceen
locaux professionels) van rechtspersonen (EHRM 16 april 2002, nr 37971/97 (
Sociétés Colas v. France), NJ 2003, 452, VN 2002/47.5). Het EHRM paste art. 6 EVRM Pro toe op de procedure over fiscaal-administratieve beboeting van de directeur van een rechtspersoon in die hoedanigheid in de reeds aangehaalde zaak
Bendenountegen Frankrijk (zie voetnoot 2); de - inmiddels in het EHRM opgegane - Commissie voor de rechten van de mens paste art. 6 EVRM Pro toe op de procedure over een bestuurlijke kartelboete opgelegd aan een rechtspersoon in de eveneens reeds aangehaalde zaak
Société Stenuittegen Frankrijk.[4] Speciaal voor de redelijke-termijneis kan gewezen worden op de zaak
Garyfallou AEBE v. Greece,[5] waarin het Hof op het beroep van een rechtspersoon oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden in een zaak waarin een boete was opgelegd wegens overtreding van in- en uitvoerregels. Ik wijs voorts op de zaak
Tre Traktörer Aktiebolag v. Sweden,[6] waarin het EHRM overwoog dat het geschil een
civil rightvan de Zweedse rechtspersoon betrof, zodat art. 6, lid 1, EVRM in zijn zaak van toepassing was. Het Hof kwam in die zaak tot het oordeel dat art. 6 EVRM Pro was geschonden wegens ontbreken van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.
Ayuntamiento de Mula v. Spain,[7] (over een kasteel waarvan zowel een particulier als de gemeente Mula eigenaar meenden te zijn) volgt mijns inziens echter dat het er niet toe doet in welke juridische hoedanigheid een publiekrechtelijk lichaam optreedt, en dat de bescherming van het EVRM ook niet geldt indien overheidslichamen zich civielrechtelijk op hun civiele eigendomsrecht beroepen:
undue delayalleen voor strafzaken geldt). Ik zal hieronder uit de jurisprudentie van het Hof op beide gebieden putten, maar uiteraard het meest uit zijn rechtspraak in strafzaken.
Obermeier v. Austria(EHRM 28 juni 1990, Series A. 179)
Silva Pontes v. Portugal[13] herhaalde het EHRM zijn standpunt[14] dat bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, in het bijzonder moet worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van de belanghebbende, het gedrag van de autoriteiten en het belang van de zaak voor de verdachte.[15]
Vernillo v. France(EHRM 20 februari 1991, Series A198, p. 13) volgt dat alleen vertragingen die aan de Staat zijn toe te schrijven reden kunnen zijn om schending van de redelijke termijn aan te nemen.[17] Indien de belanghebbende zelf onnodige vertraging veroorzaakt, dient die vertraging mitsdien buiten beschouwing te blijven. Het gegeven dat een verdachte niet verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling, brengt mijns inziens echter mee dat van hem niet een bijzonder actieve houding kan worden verwacht. Het is immers de overheid die de strafvervolging heeft ingesteld. Voorts kan het een belanghebbende niet worden tegengeworpen dat hij gebruik maakt van zijn recht om zijn zaak voor een rechter te brengen, aangenomen dat het niet om misbruik van procesrecht gaat, als hoedanig beschouwd zou kunnen worden het uitsluitend instellen van cassatieberoep om overschrijding van de redelijke termijn te bewerkstellingen (uw strafkamer denkt daarover echter genuanceerd; zie onderdeel 3.9 hieronder). Onder het gedrag van de belanghebbende valt ook zijn alertheid op termijnoverschrijding: indien de belanghebbende in de gelegenheid is te klagen, maar desondanks niet klaagt dat het allemaal te lang duurt, is de rechter volgens uw strafkamer (zie onderdeel 3) en uw belastingkamer (zie onderdeel 4) niet gehouden van ambtswege te motiveren waarom de termijn niet overschreden is. Uw uitgangspunt is kennelijk, gezien de ratio van de termijn, dat als de belanghebbende niet klaagt, hij niet bijzonder lijdt onder de dreiging van de bestraffing en de duur van het proces. Een soort rechtsverwerking dus, tot het moment van de laatste zitting in feitelijke instantie: vanaf dat moment kan de belanghebbende niet meer klagen en moet de rechter ook van ambtswege motiveren waarom een zonder die motivering onverklaarbaar lange duur na dat moment geen overschrijding van de redelijke termijn inhoudt.
G. v. Italy, Series A.228-f, p. 67, volgt echter dat het enkele feit dat de (nationale) autoriteiten zich niet hebben gehouden aan in de nationale wetgeving voorgeschreven termijnen, niet reeds daarom tot het oordeel leidt dat artikel 6, lid 1, EVRM is geschonden.[18] Overschrijding van bijvoorbeeld de zesweekstermijn voor uitspraak van het Hof (art. 8:66 Awb Pro juncto art. 27, lid 1, AWR), hoeft dus niet tot de constatering van een schending van art. 6 EVRM Pro te leiden, als de Hofprocedure als geheel voldoende voortvarend werd doorlopen.
Schouten en Meldrum, A304, par. 67, BNB 1995/113, met noot Feteris). Een uitzondering geldt slechts in geval van een onvoorziene incidentele toevloed van zaken (zie EHRM 6 mei 1981,
Buchholz v. Germany, Series A, no. 42, par. 51); als de toevloed structureel is, moeten tijdig structurele maatregelen genomen worden door de daartoe (politiek) bevoegde autoriteiten.
what is at stake).[19] Indien de verdachte voor de duur van het proces van zijn vrijheid beroofd is doordat hij zich in voorlopige hechtenis bevindt, is dat een gegeven dat niet buiten beschouwing mag worden gelaten bij de beoordeling of aan het vereiste van de redelijke termijn is voldaan (EHRM 25 november 1992,
Abdoella v. the Netherlands, Series A, no. 248-A, par. 24, NJ 1993, 24, met noot EAA). En in burgerlijke zaken geldt bijvoorbeeld bij ontslagzaken dat de - zijn inziens ten onrechte - ontslagen werknemer er een persoonlijk belang bij heeft binnen afzienbare tijd duidelijkheid te krijgen over zijn arbeidspositie (EHRM 28 juni 1990,
Obermeier v. Austria, Series A, no. 179, par. 72, NJ 1995, 491, met noot EEA). Uit de Spaanse onteigeningszaak
Ruiz-Mateos v. Spain(EHRM 23 juni 1993, Series A-262, par. 35, NJ 1995, 397 met noot EJD) blijkt dat het belang van een zaak ook gelegen kan zijn in de sociale en economische gevolgen die een zaak kan hebben voor een samenleving als geheel: het Hof overwoog dat sneller een oplossing bereikt had moeten worden, gezien de grote aantallen mensen die bij de zaak betrokken waren - werknemers, aandeelhouders en derden. Dit criterium brengt mijns inziens voor belastingboetezaken in beginsel geen noodzaak tot bijzondere spoed mee, behoudens situaties zoals die waarin de boete-oplegging faillissement of bedrijfsstaking, althans kredietopzegging door geldschieters tot gevolg heeft of dreigt te hebben en de beboete in zijn levensonderhoud of voortbestaan wordt bedreigd. Voor het overige gaat het om
Milasi v. Italy(EHRM 25 juni 1987, Series A vol. 119, NJ 1990, 230) blijkt dat het EHRM de politieke en maatschappelijke achtergronden van de zaak weliswaar van belang achtte (volgens de Italiaanse regering hadden de vertragingen tot doel het klimaat van ordeverstoringen te laten bekoelen), maar zij konden niet een vertraging van bijna tien jaar rechtvaardigen, welke periode overigens voor een groot deel lag na het moment waarop de ongeregeldheden een einde hadden genomen.
Handkommentar Konvention zum Schutz der Menschenrechte und Grundfreiheiten[20] het volgende overzicht afgeleid van de door het Hof vastgestelde schadevergoedingen ter zake van overschrijding van de redelijke termijn (zowel
criminalals
civil rightszaken):[21]
Auerbach v. Nederland[23] over de discriminatie schuilende in het Nederlandse autokostenforfait.
Haviltex-formule zal noemen: op basis van alle zich in het individuele geval voordoende feiten en omstandigheden.
König v. Germany, Vol. A27, par. 98, dat voor burgerlijke geschillen de redelijke termijn in beginsel begint te lopen op het moment waarop de zaak bij een rechter aanhangig wordt gemaakt. In sommige gevallen valt de
dies a quoechter eerder, bijvoorbeeld bij de aanvang van een bezwaarprocedure (wellicht dat dit verklaart dat het EHRM in de boven (1.7) genoemde zaak
Kadride
dies a quobij de indiening van het bezwaarschrift legde, hoewel het om een boetezaak ging):
Silva Pontes v. Portugal[24] en
Martins Moreira v. Portugal[25] blijkt dat de duur van een eventuele schadestaatprocedure en zelfs die van de executoriale fase mede in aanmerking moeten worden genomen. Het hof overwoog in het laatstgenoemde arrest:[26]
A. e.a. v. Denmark, ECHR Reports 1996-I, p.86, NJ 1997, 286, voor een van de meest uitgebreide beoordelingen door het Hof van de termijn van berechting in een burgerlijke zaak. De zaak betrof aansprakelijkheid van de overheid voor HIV-infectie door ongetest donorbloed.
What was at stakevoor de eisers was dus hun leven, zoals moge blijken uit het overlijden van sommigen van hen gedurende het proces.
dies a quoniet bij het moment van dagvaarden, maar bij de
chargein de zin van art. 6 EVRM Pro, die eerder kan liggen, bijvoorbeeld bij verhoor, voorlopige hechtenis (de strafkamer merkt inverzekeringstelling uitdrukkelijk aan als
chargein de zin van art. 6 EVRM Pro) of kennisgeving van verdere vervolging. Evenzo kan in belastingzaken de termijn heel wel zijn gaan lopen vóór de oplegging van de aanslag met boete, bijvoorbeeld bij toezending van het controlerapport, verhoor of kennisgeving van boetevoornemen. Voor het hoger beroep wordt de
dies a quogelegd op de dag van instelling van het beroep.
feitenrechter, dus bij overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen cassatieberoep is ingesteld, wordt de geldboete gematigd. Indien de vertraging zit in de late inzending van het dossier bij de Hoge Raad wordt in beginsel verminderd met 10%. Bij de beoordeling als
cassatierechter, dus bij toetsing van het oordeel van de feitenrechter over het tijdsverloop vóór wijzen van de uitspraak waartegen cassatieberoep is ingesteld, wordt alleen onderzocht of dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of motiveringsgebrek. Ook het gevolg dat de feitenrechter aan een door hem geconstateerde overschrijding heeft verbonden, kan slechts op motivering(sgebrek) worden beoordeeld. Uw strafkamer benadrukt dat constatering van een overschrijding slechts in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (vergelijk, in fiscale-boetezaken: volledig boeteverval). De hoofdregel is strafvermindering, de mate waarvan afhankelijk is van de mate van overschrijding van de redelijke termijn en de overige omstandigheden van het geval. Indien de feitenrechter het OM niet-ontvankelijk wil verklaren wegens overschrijding van de redelijke termijn, gelden zware motiveringseisen. Bij strafvermindering moet de rechter aangeven in welke mate de straf is verlaagd, dus vermelden welke straf opgelegd zou zijn indien geen schending was geconstateerd. Hoe uitzonderlijk niet-ontvankelijkverklaring en hoe terughoudend de toetsing in cassatie is, blijkt uit de recente zaak HR 16 december 2003, nr 00987/03, NJB 2004, blz. 244: de strafkamer van de Hoge raad ziet geen aanleiding tot vernietiging van 's Hofs oordeel dat overschrijding van de redelijke termijn geen niet-ontvankelijkheid tot gevolg had, hoewel meer dan 3,5 jaar verstreken waren tussen het verstekvonnis in eerste aanleg en de betekening daarvan in persoon aan de veroordeelde, terwijl die veroordeelde al die jaren gewoon ingeschreven stond in de gemeentelijke basisadministratie.
Duur van de redelijke termijn
alsu eenmaal ingrijpt in cassatie om andere reden (omdat de termijn ná de laatste hofzitting onverklaard te lang was of de cassatiefase te lang duurde), beoordeelt u ook de fasen daarvóór omdat ook de totale duur beoordeeld moet worden als één fase te lang bevonden wordt, ook als daarover toen niet geklaagd werd, zij het terughoudender (als cassatierechter) dan bij de beoordeling van de termijn sindsdien, al moet toegegeven worden dat uw oordeel in BNB 2001/253 (zie 4.6) over de beroepsfase weinig terughoudend leek.
Schouten en Meldrum, nrs. 48/1993/443/522 en 49/1993/444/523, BNB 1995/113, met noot Feteris, besliste het EHRM dat (ook)[38] de premieheffing werknemersverzekeringen valt onder de vaststelling van "civils rights and obligations." Het Hof oordeelde dat de periode van anderhalf jaar die gemoeid was geweest met de afgifte op verzoek van de (voor beroep vatbare) beslissing onredelijk lang was. Het is volgens het Hof aan de nationale instanties om te beoordelen of een overschrijding van de redelijke termijn moet leiden tot het achterwege laten van premieheffing.
Pafitis[47] voor het EHRM betrof een Griekse procedure waarin de Griekse rechter in augustus 1993 drie prejudiciële vragen aan het HvJ EG voorlegde die door het HvJ EG werden op 12 maart 1996. Bij het EHRM beklaagden Pafitis c.s. zich over de lengte van de totale procedure. In 1996 oordeelde de Commissie voor de rechten van de mens (unaniem) dat de prejudiciële procedure niet aan Griekenland kon worden toegerekend en overwoog voorts:
what is at stake, totale duur procedure en duur per onderdeel, perioden van inactiviteit).
charge: drie maanden;
feitelijkeingewikkeldheid van een zaak in cassatie - gezien de taak van de cassatierechter en het vastliggen van de feiten - geen rol van betekenis kan spelen. In cassatie kan zich wel een ander incident voordoen dat zich in de hofprocedure niet voordoet, nl. een conclusie van de advocaat-generaal, "ook een notoire vertrager, maar wel een hele nuttige (...)," aldus Rosier en Beukers-Van Dooren.[50] Ik meen dat de conclusie noch vertrager noch versneller behoort te zijn, nu die conclusie weliswaar tijd kost, maar de Hoge Raad vervolgens werk en tijd bespaart ten opzichte van een zaak zonder conclusie. Ik meen daarom dat er geen reden bestaat om de gestelde termijn te verlengen ingeval het Parket concludeert. Binnen de cassatieprocedure kan als vuistregel gesteld worden dat het Parket binnen zes maanden na het voldingen van de zaak concludeert.
what is at stake, totale duur procedure en duur per onderdeel, perioden van inactiviteit) als het niet om een min of meer gemiddelde boetezaak gaat. Dat kan twee kanten op werken: het kan dus ook betekenen dat hoewel de termijn van berechting binnen de grenzen van de vuistregels is gebleven, toch de redelijke termijn overschreden is, nl. als het een simpele zaak betrof en er onverklaarbaar lange perioden van inactiviteit aan te wijzen zijn.
criminal chargetot aan de laatste mogelijkheid voor de belanghebbende om te klagen bij de feitenrechter; (ii) de periode tussen die laatste klaagmogelijkheid (meestal de laatste zitting) bij de feitenrechter tot aan de uitspraak van de feitenrechter; en (iii) de periode tussen de hofuitspraak en uw arrest. De eerste twee perioden beoordeelt u als cassatierechter. Dat houdt in dat u:
criminal charge- afhankelijk van de vraag hoeveel procesfasen doorlopen werden - op nihil uit. Bij onpersoonlijke rechtspersonen (zie 9.26 e.v.) suggereer ik - eveneens afziende van andere relevante omstandigheden - als vuistregel 5 punten vermindering voor het eerste jaar van overschrijding, 7,5 voor het tweede jaar, 10 voor elk van de volgende twee jaren, 12,5 voor het vijfde jaar, 15 voor het zesde jaar en 20 voor het zevende en het achtste jaar. U zou in elk geval een signaal kunnen afgeven dat de feitelijke instanties in het algemeen wellicht vrij royaal matigen, gezien het mede te wegen belang van de gemeenschap bij een bestraffing ondanks overschrijding van de termijn, en ook vrij ruw: 25%, 50% of 100%. Dat lijkt een echo van de ruwe beleidsregels van het vroegere Voorschrift administratieve boeten, terwijl straffen in beginsel maatwerk is, al zijn - zoals betoogd - vuistregels voor standaardgevallen gewenst.
voor de aan overschrijding te verbinden gevolgenonderscheid gemaakt moet worden tussen natuurlijke personen en rechtspersonen of entiteiten. Bij de laatste groep moet mijns inziens bezien worden of er individuen aan te wijzen zijn die geacht kunnen worden te lijden onder die dreiging van vervolging en die onzekerheid van aangekondigde bestraffing (zoals in het schoolvoorbeeld-geval van een eenmans-BV of een echtpaar-BV), dan wel de rechtspersoon zelf geacht kan worden belemmerd te worden in zijn bestaan (bijvoorbeeld doordat de lange duur van de beoordeling van de opgelegde boeten - met name als er beslag voor gelegd is - tot betalingsproblemen of zelfs faillissement, in elk geval handelsbelemmeringen leidt).
Öztürk v. Duitsland), NJ 1988, 937, EHRM 24 februari 1994 (
Bendenoun v. Frankrijk), BNB 1994/175, ECRM 17 januari 1990 (
Société Stenuit v. Frankrijk), FED 1992/668, HR 19 juni 1985, BNB 1986/29, HR 27 september 1988, BNB 1988/298, en HR 3 mei 1989, BNB 1989/256.
Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic v. Sweden), BNB 2003/2, met noot Feteris.
Santilli v. Italy, Series A.194-D, p. 61, en
Maj v. Italy, Series A196-D.
Neumeister v. Oostenrijk, 27 juni 1968, Series A, no. 8, en EHRM
Eckle v. Germany, 15 juli 1982, Series A, no. 51, waarin de totale duur doorslaggevend werd geacht. In EHRM
Foti c.a. v. Italy, 10 december 1982, Series A, no. 56, NJ 1987, 828, en EHRM
Abdoella v. the Netherlands, 28 oktober 1992, Series A, no. 248-A, FED 1993/142, en
Bunkate v. the Netherlands, 26 mei 1993, Series A, no. 248-B, FED 1993/671,werd de nadruk gelegd op de bijzonder lange duur van bepaalde afzonderlijke onderdelen van de procedures.
Unión Alimentaria Sanders S.A. v. Spain, Series A157, par. 32, en EHRM 27 oktober 1994,
Katte Klitsche de la Grangev. Italy, Series A293-B, par. 62.
H. v. France, 24 okt. 1989, Series A no. 162, pp. 21-22, para. 55.
Wiesinger v. Austria, Series A no. 213, pp. 22-23, par. 60.
Van Vlimmen & Van Ilverenbeek v. the Netherlands, nr. 25989/94, NJ 2001, 115.
Klein v. Germany, nr. 33379/96.
Silva Pontes, Series A286-A.
Martins Moreira, Series A143, par. 44.
Guincho v. Portugal(EHRM 10 juli 1984, Series A81, par. 29 en 30).