ECLI:NL:HR:2002:AE6102

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00103/02 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep in cassatie tegen niet-ontvankelijkheid klaagschrift teruggave motorfiets

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Breda. De zaak betreft een klaagschrift tot teruggave van een motorfiets die onder klager in beslag was genomen, terwijl betrokkene eerder teruggave had verzocht en gekregen.

De rechtbank had het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk verklaard omdat de eerdere beschikking tot teruggave aan betrokkene onherroepelijk was geworden. Klager voerde aan dat hij buiten zijn schuld niet tijdig was opgeroepen voor de raadkamerbehandeling, waardoor ook artikel 6 EVRM Pro was geschonden.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalt omdat de onherroepelijkheid van de eerdere beschikking uitsluit dat opnieuw op het klaagschrift kan worden beslist. Er was geen grond om de beschikking ambtshalve te vernietigen. Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen.

De uitspraak benadrukt het belang van de onherroepelijkheid van rechterlijke beslissingen en de grenzen aan het indienen van meerdere klaagschriften over hetzelfde onderwerp.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift blijft in stand.

Uitspraak

12 november 2002
Strafkamer
nr. 00103/02 B
EW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 21 september 2001, nummer 4092-99, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft niet-ontvankelijk verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van een motorfiets.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door [klager]. Namens deze heeft mr. H.L.J.M. van Grinsven, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat
de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank [klager] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift.
3.2. De stukken van het geding houden het volgende in:
(i) op 2 augustus 1997 heeft [betrokkene] aangifte gedaan van diefstal van zijn motorfiets;
(ii) in 1998 is een aantal motorfietsen onder [klager] in beslag genomen;
(iii) bij schrijven van 26 september 2000 heeft [betrokkene] de Officier van Justitie verzocht om teruggave van zijn motorfiets, die onder [klager] in beslag was genomen;
(iv) genoemde brief van [betrokkene] is aangemerkt als een klaagschrift in de zin van art. 552a Sv; de eerste behandeling van het klaagschrift vond plaats in openbare raadkamer van 1 december 2000, alwaar de zaak werd aangehouden omdat de beslagene, [klager], niet was opgeroepen;
(v) bij oproeping, gedateerd 19 januari 2001, is [klager] opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift van [betrokkene] op 23 februari 2001;
(vi) op 23 februari 2001 heeft de behandeling van het klaagschrift van [betrokkene] plaatsgevonden; [klager] is niet verschenen;
(vii) bij brief van 27 februari 2001 aan de griffier van de Rechtbank heeft [klager] meegedeeld dat hij de oproeping voor de raadkamerbehandeling - in verband met een kortdurend verblijf in het buitenland - pas in handen heeft gekregen toen de zaak al was behandeld;
(viii) bij beschikking van 15 maart 2001 heeft de Rechtbank het klaagschrift van [betrokkene] gegrond verklaard en de teruggave van de motorfiets aan laatstgenoemde gelast;
(ix) op 26 april 2001 heeft [klager] een klaagschrift ingediend, strekkende tot teruggave aan hem van de motorfiets.
3.3. De Rechtbank heeft [klager] bij beschikking van 21 september 2001 niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. De Rechtbank heeft daartoe overwogen:
"Nu uit de onderhavige stukken duidelijk is geworden dat de beslissing van de rechtbank voornoemd reeds onherroepelijk is, is de rechter van oordeel dat hij geen beslissing meer kan nemen op het onderhavige klaagschrift en klager derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klaagschrift."
3.4. In de toelichting op het middel wordt geklaagd over het oordeel van de Rechtbank dat de beslissing van de Rechtbank van 15 maart 2001 reeds onherroepelijk was nu [klager], naar wordt gesteld, buiten zijn schuld niet tijdig op de hoogte is geraakt van de oproeping van de behandeling door de Rechtbank van het klaagschrift van [betrokkene], door welke omstandigheid tevens art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden.
3.5. De Rechtbank heeft vastgesteld dat haar beschikking van 15 maart 2001, waarbij de teruggave van de motorfiets aan [betrokkene] is gelast, onherroepelijk is geworden.
Dat brengt mee dat de Rechtbank [klager] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn op 26 april 2001 ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van diezelfde motorfiets. Daaraan kan niet afdoen hetgeen met een beroep op art. 6 EVRM Pro in het middel wordt gesteld omtrent de oproeping van [klager] voor de raadkamerbehandeling van 23 februari 2001.
3.6. Het middel faalt dus.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2002.